Kluswijzer

Wilt u zelf gaan klussen? U vindt hieronder kluswijzers voor verschillende woningaanpassingen. In de kluswijzers staan handige tips en regels voor uw klus.


    Kluswijzer

  • Uitbreiding "klein" elektra

    Kwaliteitseisen uitbreiding "klein" elektra

    Inleiding
    Het beleid "Spelregels Zelf Aanbrengen van Veranderingen " biedt u de mogelijkheid om uw woning naar eigen wens aan te passen. Vanzelfsprekend zijn hieraan spelregels verbonden. Deze spelregels ontvangt u gelijktijdig bij dit Klusinformatiepakket. Eén van de spelregels is dat de woningaanpassing moet voldoen aan de kwaliteitseisen van Habeko wonen. 

    Kwaliteitseisen
    Voor het plaatsen of verplaatsen van wandcontactdozen, schakelaars of buitenverlichting zijn de volgende kwaliteitseisen opgesteld:

    Bouwkundige en veiligheidstechnische aspecten

    1. Klussen aan de elektrische installaties mogen alleen worden uitgevoerd door een daartoe bevoegd bedrijf of wanneer u de klus toch zelf uitvoert, dient u een daartoe bevoegd bedrijf de installatie te laten keuren. U dient dit keuringscertificaat of bewijs van keuring te overleggen.
      Werk nooit aan een elektrische installatie waar nog spanning op staat. Schakel de elektriciteit uit door de hoofd- of groepsschakelaar om te zetten.
    2. Controleer met een deugdelijke spanningzoeker of u de juiste groep(en) heeft uitgeschakeld.
    3. Zet nooit spanning op een elektriciteitsleiding die nog niet is afgemonteerd.
    4. Draag bij voorkeur isolerend schoeisel met rubberen zolen.
    5. Werk nooit met vochtige of natte handen.
    6. Gebruik deugdelijk geïsoleerd gereedschap.
    7. Pas op dat de isolatie van de draden niet wordt beschadigd bij het strippen.
    8. De elektrische leidingen worden aangesloten via de aansluitkast van het energiebedrijf. Deze aansluitkast is verzegeld en bevat de hoofdzekering. U mag deze aansluitkast NOOIT openen.
    9. In bepaalde ruimtes is het aarden van stopcontacten verplicht. Het gaat hierbij om de natte ruimtes zoals keuken en badkamer, de ruimtes met stenen vloeren en buitenruimte.
    10. De afstand tussen zadels vanaf schakelaars, stopcontacten en dozen tot het eerste zadel mag niet groter zijn dan 10 cm. Bij de horizontale leiding vervolgens om de 30 cm, bij de verticale leidingen om de 40 cm.
    11. Gebruik alleen materialen met CE-keurmerk.
    12. Verlengsnoeren mogen niet worden vastgelegd.
    13. De verlichting in de badkamer moet zo zijn uitgevoerd dat de schakelaar aan de buitenkant is gemonteerd (behalve de wasmachineschakelaar) of minimaal 60 cm van de wastafel, douche of bad.
    14. Voor de buitenverlichting en kabels onder de grond moet u YMvK-as(aardscherm-kabels gebruiken. Dit is een kabel met vinylmantel en vinylisolatie rond de koperen kern, inclusief afschermkabel.
    15. Gebruik bij buitenwerk stevige, rubberen of neopreen snoeren en rubberen stekkers.
    16. Maak een kleine schets van draden en kleuren en ga pas aan het werk als alles volstrekt duidelijk is.
    Soort draad Kleur
    Fase-draad (aanvoerdraad) Bruin (2,5mm2 of 1,5mm2)
    Nul-draad   (afvoerdraad) Blauw (2,5mm2 of 1,5mm2)
    Schakel- of lampdraad Zwart (1,5mm2)
    Aarddraad Geel/Groen (2,5mm2)

    Onderhoudstechnische aspecten

    1. Grondplaat/montageplaat moet altijd bereikbaar zijn, dus niet weggetimmerd. Centraaldoos in plafond moet altijd geheel bereikbaar zijn.
    2. U bent zelf verantwoordelijk voor het herstellen/repareren of vervangen van de elektrische extra uitbreiding. 
    3. Het vervangen van wandcontactdozen en schakelaars wordt door Habeko wonen op standaard niveau uitgevoerd.

    Verhuurtechnische aspecten

    1. De stopcontacten en schakelaars moeten netjes zijn afwerkt.
    2. Bij mutatie accepteert Habeko wonen de extra uitbreiding mits deze is aangelegd overeenkomstig de geldende voorschriften van het energiebedrijf. Uitgezonderd hierop accepteert Habeko wonen geen buitenverlichting. Bijvoorbeeld tuinverlichting en dergelijke. Deze extra voorziening kunt u eventueel overdragen aan een opvolgende bewoner. De nieuwe bewoner is dit echter niet verplicht. 
    3. Bij acceptatie van deze voorziening verstrekt Habeko wonen geen vergoeding.

    Aanbevolen materialen
    Materialen met CE-keurmerk.

  • Aanbrengen "vaste" kast

    Kwaliteitseisen aanbrengen "vaste" kast

    Inleiding
    Het beleid "Spelregels Zelf Aanbrengen van Veranderingen " biedt u de mogelijkheid om uw woning naar eigen wens aan te passen. Vanzelfsprekend zijn hieraan spelregels verbonden. Eén van de spelregels is dat de woningaanpassing moet voldoen aan de kwaliteitseisen van Habeko wonen.

    Kwaliteitseisen
    Bouwkundige en veiligheidstechnische aspecten

    1. Laat u bij het aanbrengen van een vaste kasten wand uitgebreid informeren bij de betreffende zaak waar u de kast aankoopt. De montage voorschriften worden meestal meegeleverd.

    2. Zorg er voor dat u een kast koopt of zelf maakt die bij mutatie weer op eenvoudige wijze is te demonteren.

    Onderhoudstechnische aspecten

    1. U bent zelf verantwoordelijk voor het eventuele onderhoud aan de kast.

    2. Eventuele gevolgschade komt voor rekening van de bewoner.

    Verhuurtechnische aspecten

    1. Bij het beëindigen van de huurovereenkomst accepteert Habeko wonen deze aangebrachte voorziening.

    2. Het aanbrengen van een vaste kast, in opdracht van de bewoner, heeft geen gevolgen voor de puntentelling van de woning.

    Aanbevolen materialen
    Kunststof, hout

  • Zelf een tuinafscheiding plaatsen

    U heeft graag wat meer privacy in uw tuin; u wilt een fraaier hekwerk rondom; u vindt dat die gammele schutting nodig aan vervanging toe is. Voor een nieuwe tuinafscheiding gaat u naar een bouwmarkt of tuincentrum, die ze in velerlei uitvoeringen verkoopt: hekken, schermen, panelen, schuttingen, omheiningen met gaas. De plaatsing kunt u aan een vakman overlaten, maar het is ook mogelijk om dat zelf te doen. Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Materialen en gereedschappen
    Welke afscheiding u ook kiest, de werkzaamheden komen in grote lijnen op hetzelfde neer: u plaatst staanders in de grond en bevestigt hieraan het hout of het gaas.

    Als basis voor een houten afscheiding zijn houten of betonnen staanders van 10 x 10 cm het meest geschikt. Hun lengte hangt samen met de hoogte van de omheining: bedraagt die bijvoorbeeld 1.80 meter, dan moeten de palen 240 cm lang zijn. Ze komen in de tuin op maximaal 1,5 meter van elkaar. Voor een afscheiding van gaas zijn geplastificeerde palen verkrijgbaar. Bij een afrastering van gaas met een hoogte van 80 cm. wordt een onderlinge tussenruimte van 5 meter aangehouden, bij gaas van 120 cm een afstand van 3 meter.

    Het benodigde gereedschap
    De volgende gereedschappen zijn nodig: 
    meetlint, waterpas, touw, schep, grote houten hamer, gewone hamer, schroevendraaier, handzaag, ijzerzaag, boormachine, eventueel een grondboor.

    Fundering
    De fundering is belangrijk. Een schutting staat of valt met de fundering. Het is dus belangrijk om hieraan voldoende tijd en aandacht te besteden. Wanneer u heeft bepaald waar de afscheiding moet komen, spant u een draad over de gehele lengte, goed waterpas en 10 cm boven de grond. Meet hierlangs de afstand tussen de staanders af. Probeer het zo uit te kienen dat u straks begin- en eindpalen met beugels aan de muur kunt monteren. Graaf gaten van 60 cm diepte en 30 cm in het vierkant, een karwei dat het makkelijkste gaat met een grondboor. Voor een omheining van gaas is 40 cm diep genoeg. Leg onderin een tegel en zet de paal erop. Houd hem tegen de draad en stel hem met een waterpas loodrecht. Fixeer de paal zo nodig met schoren. Vul het gat vervolgens met zand en stamp dit goed aan. Er zijn meer manieren om een fundering te maken. Ze dienen vooral als extra bescherming tegen houtrot.
    Ten eerste kunt u voor een steviger resultaat de gaten volstorten met betonmortel, maar dit moet dan wel 48 uur drogen. Verder bestaan er speciale metalen paalhouders, met een puntig uiteinde dat de bodem wordt ingeslagen. De duurzaamste methode is om de palen 5 cm boven het maaiveld vast te zetten, zodat het hout minder water opzuigt. Dit kan door in de betonnen voet draadeinden, schoenen of paalhouders te gieten, waarop de staanders geschroefd worden.
    Maak de afscheiding compleet. Tegen de palen schroeft of spijkert u de schutting, waarbij u onderaan begint. In een betonnen paal zit een rij verticale gaten, die dienen om aan weerszijden met slotbouten een plank te bevestigen. Tegen deze planken komt dan het hout van de omheining.

    Ook al gebruikt u geïmpregneerd hout, dan nog verdient het aanbeveling om op alle kopse kanten en verbindingsvlakken extra conserveermiddel als menie, beits of verf aan te brengen. Op basis van het hierboven beschreven principe zijn in de tuin talloze speelse variaties mogelijk. U kunt een hek of poort in de afscheiding opnemen, u kunt door haakse schotten te plaatsen een windvrij zitje creëren, u kunt tegen de omheining een bergplaats bouwen.

    Bevestig het gaas
    Gaas bevestigt u met geplastificeerd ijzerdraad. Bovendien zijn er twee draadspanners bij nodig. Rol het gaas uit, maak het stevig vast aan de beginpaal en zet het geheel overeind. Vlecht onder en boven door het gaas het ijzerdraad en bindt dit om de eerste en de laatste paal, waarbij de draadspanners op ongeveer 50 cm voor de eindpaal komen. 
    Door de spanners aan te draaien, wordt het binddraad strak gehouden. U trekt het gaas aan over het draad en maakt het vast aan de rest van de staanders. De afrastering die zo ontstaat is uitstekend geschikt om klimplanten tegenaan te laten groeien.

    Haagbeplanting
    Voor een volledig natuurlijke afscheiding zorgt haagbeplanting. De aanleg gaat wellicht makkelijker en sneller dan de plaatsing van een omheining, maar het onderhoud kost doorgaans meer moeite. Zo moet een haag regelmatig worden bemest en gesnoeid. Omdat er veel soorten haagbeplanting zijn, elk met unieke eigenschappen, is het aan te bevelen eerst bij een tuincentrum te informeren.

  • Zelf uw woning beveiligen(inbraakpreventie)

    U sluit altijd trouw alle ramen en deuren af wanneer u uitgaat; u hangt nooit een touwtje uit de brievenbus; u waakt ervoor zomaar sleutels uit te lenen of te laten rondslingeren. Dat is uitstekend, maar niettemin onvoldoende om het risico van een inbraak bij u thuis te beperken. Misschien wordt het tijd om eens te kijken welke mogelijkheden er zoal bestaan om de woning beter te beveiligen. Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    "Als ze binnen willen komen, houd je ze toch niet tegen", luidt een veel gehoorde opmerking. De geijkte reactie is dan: "Nee, maar je kan het ze wel moeilijk maken". Beide clichés zijn maar al te waar. Daarom is het niet nodig om uw huis in een onneembare vesting te veranderen, maar heeft het wel degelijk nut om wat tijd en geld aan inbraakpreventie te besteden.

    Zoek de zwakke plekken
    Als u weet dat 85 procent van alle inbraken wordt gepleegd door gelegenheidsdieven, inspecteer dan eens uw huis van buitenaf alsof u zelf zo'n gehaaste inbreker bent. Zoek de zwakke plekken en zie daarbij muurtjes, berging, regenpijpen en andere klimmogelijkheden niet over het hoofd. Kunt u alle ramen en deuren, ook die van balkon en garage, goed afsluiten? Zijn scharnierpennen niet makkelijk uit te tikken? Is het houtwerk in degelijke staat? Zijn glaslatten niet simpel te verwijderen zodat de hele ruit uit de sponning te tillen is? Probeer of u met een ijzerdraadje door de brievenbus de voordeur open kunt krijgen.

    Hang- en sluitwerk
    Veel zwakke plekken zijn te verhelpen door vervanging of bijplaatsing van hang- en sluitwerk. Moderne sloten en scharnieren zijn in de winkel herkenbaar aan een kwaliteitskenmerk: één ster (standaard), twee sterren (zwaar) of drie sterren (extra zwaar). Hoe meer sterren, hoe veiliger het artikel, maar natuurlijk ook: hoe hoger de prijs.

    Deuren
    Buitendeuren behoren voorzien te zijn van een standaard cilinderslot of beter nog een zwaar of extra zwaar veiligheidscilinderslot. Bijpassend beslag voorkomt dat de inbreker het slot kan vernielen. Stalen sluitkommen in het kozijn beschermen de schoten van het dag- en nachtslot. In elkaar vallende anti-inbraakprofielen op de rand van de deur en het kozijn maken het onmogelijk om met een breekijzer tussen kieren te wrikken. Eén of twee bijzetsloten bieden extra bescherming. Aan de hangzijde is een veilige buitendeur voorzien van stevige scharnieren met dievenpinnen, eventueel aangevuld met dievenklauwen. Dubbele balkon- en tuindeuren hebben, evenals sommige vensters, een spanjoletsluiting die niet op slot kan. Dit is wel mogelijk als u er een los spanjoletsluiting bijplaatst of een afsluitbaar spanjoletmechanisme aanbrengt. Voor schuifdeuren kunt u kiezen uit een cilinderslot, een zwenkschootslot met een haak en een schuifpuibeveiliger, bestaande uit een roestvrijstalen balk in een profiel. Eenmaal vastgeschroefd is deze van buitenaf te zien, wat inbrekers bij voorbaat afschrikt. Een garage, zeker als die een doorgang naar de woning heeft, is zeker gebaat bij een extra slot of een speciale garagedeurbeveiliging.

    Ramen
    Ook bij ramen is het onverstandig om te bezuinigen op beveiliging. Sterke scharnieren, dievenpinnen, dievenklauwen, oplegraamsluitingen, opdekcilindersloten en solide raamuitzetters zijn geen overbodige luxe. Voor kleine ramen en smalle bovenlichten kunt u anti- inbraakspijlen aanbrengen. Die bestaan uit een roestvrijstalen buis met daarin een staaf die niet door te zagen is, omdat hij meedraait. U verankert ze in het kozijn met ééntoerschroeven, die wel in maar niet uitgedraaid kunnen worden. Zulke schroeven zijn ook ideaal om de kwetsbare glaslatten aan de buitenzijde van ramen vast te zetten. Tot slot is er nog allerlei vast en scharnierend beugel- en traliewerk in de handel. Superveilig, maar misschien vindt u uw huis daarmee toch wat teveel op een vesting gaan lijken.

    Binnen- en buitenverlichting
    Brandende verlichting suggereert dat u thuis bent. Schakelklokken zorgen ervoor dat lampen op ingestelde tijden vanzelf aan- en uitgaan. Een schemerschakelaar doet hetzelfde van zonsondergang tot zonsopkomst. Ook een veiligheidsfitting werkt automatisch wanneer het donker is, maar dan onregelmatig; 's avonds brandt de verlichting langer dan 's nachts en de patroon wisselt per etmaal. Nog inventiever is een elektronische geheugenschakelaar. Die onthoudt welke lampen u tijdens de afgelopen week heeft ontstoken en op welk tijdstip, en herhaalt al deze handelingen tijdens uw afwezigheid in dezelfde volgorde. Voor donkere buitengevels bestaan er infrarood gestuurde sensorlampen, die aangaan zodra iemand binnen het bereik ervan komt. Monteer ze zo hoog mogelijk en werk de bedrading goed weg, zodat ze niet een-twee-drie onklaar te maken zijn.

    Elektronische beveiliging
    Een loeiende sirene, een rinkelende bel, aanflitsend alarmlicht of een automatisch telefoontje naar de politie. Elektronische beveiligingssystemen kunnen op vele manieren waarschuwen. Ze zijn verkrijgbaar in diverse prijsklassen, geschikt voor binnen of buiten, zowel met bedrading als draadloos. De meeste systemen werken door middel van contactschakelaars, beweging-, trilling- of temperatuurmelders. Zeer geavanceerde typen reageren op luchtdruk- of volumeveranderingen in huis. Het doel van al die alarminstallaties is echter gelijk: u een betere nachtrust bezorgen.

  • Zelf een dakraam plaatsen

    U zou graag direct daglicht op uw hobbyzolder hebben; u zoekt een ventilatiemogelijkheid voor die (muffe) vliering; u wilt een beter uitzicht vanuit die bovenste bergzolder. Dan is een dakraam de oplossing. De bouwmarkt verkoopt verschillende typen in verschillende maten. Vraag voordat u tot aanschaf overgaat toestemming bij de woningcorporatie aan. Inzetten kunt u aan een vakman overlaten; dat moet u ook zeker doen als u twijfelt of u dit karwei wel tot een goed einde kunt brengen. Maar het is voor de echte handige doe-het-zelver zeker mogelijk om dat zelf te doen, mits u nauwkeurig het montagevoorschrift opvolgt. Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Dakramen voor schuine daken
    In vrijwel elk schuin dak is een venster aan te brengen. Dakramen bestaan uit een kozijn van hout, kunststof, staal of aluminium, dat aan de buitenkant van het dak wordt gemonteerd en een ruit in een scharnierend frame. Raam en kozijn zijn afgedicht door middel van elastische profielen of borstelstroken. Voor een waterdichte aansluiting op het dak zorgen bijgeleverde gootstukken, waarvan het onderste vaak is voorzien van een loodslab.
    De ramen zijn in diverse uitvoeringen verkrijgbaar. De verschillen betreffen voornamelijk de ophanging en bewegingsmogelijkheid van het glasgedeelte. Zo zijn de meest gebruikelijke typen: het uitzetraam, het tuimelraam, het uitzettuimelraam, het uitzetdraairaam en het uitzetschuifraam. Sommige typen zijn boven of naast elkaar te koppelen. De maximale hoogte maat van het dakvenster is vastgesteld op 118 cm. en de breedte op 134 cm.
    Kant en klare dakramen kunt u van binnenuit monteren. Voor elk type komen de basishandelingen in grote lijnen overeen.

    Het benodigde gereedschap
    De volgende gereedschappen zijn nodig: rolmaat, decoupeerzaag, handzaag, schroevendraaier, rubberen hamer, gewone hamer, mogelijk een slijpschijf. Kies een droge dag uit.

    Grootte en positie van het venster
    De ideale afmeting van het dakraam kunt u berekenen aan de hand van een vuistregel die in de bouw wordt gehanteerd. Meet de oppervlakte van het vloergedeelte waar de hoogte vanaf de vloer tot het dak 150 cm of meer is. Het benodigde glasoppervlak bedraagt 10 procent hiervan. Is bijvoorbeeld de gemeten vloergrootte 5 x 2 = 10 m², dan levert een raam van minimaal 1 m² de juiste lichtinval. Voor een vrij uitzicht bepaalt u het hart van het raam op ongeveer 150 cm hoogte van de vloer.

    Voorbereiding en uitvoering
    Er zijn veel verschillende soorten daken, die elk hun eigen technische eigenschappen hebben. De moderne dakramen kunnen in de meeste dakconstructies goed worden toegepast. In veel gevallen zijn in de dakconstructie van de wat nieuwere woningen de isolatie en de dakbalken onzichtbaar weggewerkt. Wanneer er in zo'n dak een gat voor een dakraam wordt gemaakt, moet vooraf eerst goed bepaald worden waar de balken of sporen lopen: ze zijn immers niet zichtbaar! Daarnaast is de kans op condensvorming groot als de aansluiting van het nieuwe dakraam aan de dakfolie van de dakisolatie niet goed wordt uitgevoerd. Volg daarom nauwgezet de voorwaarden en de montagevoorschriften op.

    Bij de wat oudere, niet geïsoleerde daken is het aanbrengen eenvoudiger. Teken op de gewenste plaats tegen het dakbeschot provisorisch de omtrek van het raam. Maak in het midden met een decoupeerzaag een "mangat" van 50 x 50 cm, liefst met een kort (afgebroken) zaagje of een plankje onder de zaagzool, zodat u niet per ongeluk pannen van het dak stoot of panlatten doorzaagt. Pas na verwijdering van het luikje kunt u voorzichtig de eerste pannen wegnemen en enkele panlatten afzagen.

    Soms is het noodzakelijk dat niet alleen het dakbeschot maar ook één of meer daksporen of dakbalken verwijderd moeten worden. De balk moet dan verlegd worden om het dakraam te laten passen. Deze ravelingconstructie vergt, voor wat de uitvoering betreft, behoorlijk wat bouwkundig inzicht. Stel u van tevoren goed op de hoogte van de situatie alvorens u overgaat tot plaatsing. Laat het verplaatsen van een of meer dakbalken aan de vakman over!

    Leunend met uw bovenlichaam door het mangat neemt u de rest van de overtollige dakpannen weg. Sommige moeten misschien met een doorslijpschijf passend gemaakt worden. Teken vervolgens aan de buitenzijde de grootte van het dakgat definitief af en sla op de hoeken vier spijkers, zodat de kozijnopening ook van binnen precies af te tekenen en uiteindelijk uit te zagen is. Het hangt van de bijgeleverde gootstukken af of aan de buitenkant de panlatten aan weerszijden van het gat een paar centimeters moet worden ingekort en voorzien van een ondersteuningslat. Aan de onder- en bovenkant is altijd een extra ondersteuningslat nodig.

    De plaatsing van het dakraam
    Voordat u het kozijn plaatst, verwijdert u het bewegende glasgedeelte, zoals aangegeven in het montagevoorschrift. Schroef met twee schroeven de speciale bevestigingsbeugels aan het kozijn. Schuif het vervolgens naar buiten, breng het in positie - vrij van panlatten - en zet de bovenste beugels op twee plaatsen vast op het dak(zie montage voorschrift).
    Controleer voor het definitief vastschroeven of alle voorgevormde gootstukken goed passen en of het kozijn horizontaal ligt.

    Zorg dat alle dakpannen goed op hun plaats liggen en monteer dan de gootstukken. Druk de loodslab op de pannen en sla hem voorzichtig met een rubberen hamer in vorm. Zet het glasgedeelte terug in de scharnieren. Volg tot slot de aanwijzingen in het montagevoorschrift op om het raam exact recht en in het midden van het kozijn te krijgen.

    U begrijpt dat het plaatsen van een dakraam in de regel een ingewikkelde en ingrijpende zaak is. Deze voorziening is ook bijna niet meer uit de woning te verwijderen en wordt daardoor een blijvend element van de woning. Uw corporatie stelt daarom hoge eisen aan de plaatsing van een dakraam. Die eisen betreffen natuurlijk de waterdichtheid, veiligheid en deugdelijkheid van de voorziening, maar ook aan de constructieve kant worden hoge eisen gesteld. Daarom adviseren wij u met klem het plaatsen van een dakraam aan een aannemer over te laten.

  • Zelf klussen met elektriciteit

    U heeft behoefte aan een paar extra stopcontacten, u wilt een lichtschakelaar door een dimmer vervangen; u zou graag een spuitende fontein met sfeerverlichting in uw tuin plaatsen. Grote uitbreiding van de elektrische installatie is een taak van de vakman, maar er blijven heel wat klussen over die u zelf kunt doen. Daarom is het handig om iets van elektra af te weten. 
    Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Veiligheid staat voorop
    Aan welke elektriciteitsklus u ook begint, vergeet nooit de nodige veiligheidsmaatregelen in acht te nemen. Schakel altijd de spanning uit door de groepsschakelaar om te zetten (en de stop uit te nemen, indien aanwezig). Controleer voor de zekerheid met een spanningzoeker of -tester of er stroom op een leiding of stopcontact staat. Zet nooit spanning op een leiding die niet is afgemonteerd. Draag bij voorkeur schoeisel met rubberen zolen. Werk alleen met droge handen. Gebruik geïsoleerd gereedschap. Zorg altijd voor voldoende licht bij het karwei.

    Het energiebedrijf en allerlei wettelijke voorschriften stellen hoge veiligheidseisen aan de elektrische installatie. Brengt u zelf ingrijpende wijzigingen aan, laat die dan door een vakman controleren. Eventueel kunt u voor alle zekerheid ook het afmonteren en aansluiten aan die persoon overlaten.

    De elektrische installatie
    De elektriciteit komt uw huis binnen via de aansluitkast, waarin de hoofdzekering zit. Het energiebedrijf heeft deze kast verzegeld. Van daar loopt de leiding via de eveneens verzegelde kilowattuurmeter naar de aardlekschakelaar (alleen bij installaties van na 1975 of na uitvoering van groot onderhoud aan de elektrische installaties) om uit te monden in de meterkast. De meterkast verdeelt de stroom in groepen, die allemaal met een zekering en een groepsschakelaar beveiligd zijn tegen overbelasting en kortsluiting. Elke groep voorziet via leidingen een deel van uw huis van elektriciteit.

    Zekeringen
    De meest gebruikte zekeringen zijn stoppen van 10 ampère, herkenbaar aan een rood verklikkertje, en 16 ampère met een grijze verklikker. De maximale vermogens per groep zijn: 10 ampère x 220 volt = 2.200 watt, 16 ampère x 220 volt = 3.520 watt. Bij overbelasting slaat de stop uit. Deze moet dan vervangen worden.

    In plaats van stoppen worden steeds vaker automatische zekeringen (soms in combinatie met een aardlekschakelaar) gebruikt. Deze hebben een zwarte knop die bij overbelasting uitspringt. Indrukken herstelt de stroomtoevoer weer.

    Schakel de stroom pas in nadat de oorzaak van het defect is verholpen. Meestal is één apparaat de boosdoener. Weet u niet welk, haal dan alle stekkers uit de stopcontacten en maak de zekering in orde. Sluit de apparaten één voor één aan totdat de zekering opnieuw uitgeschakeld wordt. In het laatste apparaat zit dan de fout.

    Normaal dozensysteem
    Bij oude installaties vertakt elke groepsleiding zich volgens het normaal dozensysteem. Hierbij is sprake van een keten van lasdozen (verbindingsstukken) die de bedrading doorverbinden. Alle stopcontacten, schakelaars en lichtpunten zijn aangesloten op de dichtstbijzijnde lasdoos. Uitbreidingen zijn eenvoudig omdat dit systeem vaak in het zicht is geïnstalleerd (opbouw).

    Centraal dozensysteem
    Bij het moderne contactdozensysteem komt de groepsleiding uit op één centraal geplaatste lasdoos waarop alle stopcontacten, schakelaars en lichtpunten (soms ook een tweede centraaldoos) zijn aangesloten. Dit systeem is vaak geheel of gedeeltelijk weggewerkt in plafond en muren (inbouw). Uitbreidingen zijn ook mogelijk volgens het normaal dozensysteem.

    In de loop der tijd zijn sommige draadkleuren veranderd. Let dus extra op als u oude en nieuwe draden met elkaar verbindt. De stroomdraad (aangeduid met de letter P) was groen maar is nu bruin. De nuldraad (aangeduid met de letter N) was rood maar is nu blauw. De aardedraad was grijs maar is nu geelgroen. De zwarte schakeldraad en de niet-geïsoleerde blanke aardedraad zijn gelijk gebleven.

    Randaarde
    Sinds juli 1997 mogen uitsluitend nog stopcontactdozen met randaarde aangelegd worden, ook in woon- en slaapkamers. In ruimten met een stenen vloer, keuken, badkamers, kelders, garages, schuren en buitenshuis was deze extra beveiliging altijd al verplicht. Het betekent dat de contactdoos aangesloten moet zijn op een beschermleiding, zodat bij kortsluiting de stroom ongehinderd een uitweg kan vinden. Deze beschermleiding is gekoppeld aan de koperen waterleiding (in oudere huizen) of een aardelektrode, een metalen staaf die diep de grond in gaat.

    In de badkamer moeten metalen onderdelen, zoals badkuipen, kranen, afvoeren en radiatoren, apart geaard zijn met een draad van 6 mm dikte. Bovendien mogen daar verlichtingsarmaturen, contactdozen en elektrische apparaten uitsluitend worden aangebracht of gebruikt op minimaal 60 cm van douche, bad of wastafel.

    Materiaal en gereedschap
    De bouwmarkt verkoopt een groot assortiment contactdozen, schakelaars en dimmers voor elk
    doel en elke situatie. Ook lasdozen zijn in velerlei uitvoeringen verkrijgbaar. De bedrading wordt verbonden met lasdoppen en -klemmen. In elektrische leidingen is alleen VD-draad (vinyldraad) toegestaan. De leidingen zelf bestaan uit pvc-elektrabuis 16 mm, of 19 mm voor fornuizen, ovens en (af)wasautomaten. De buizen worden gekoppeld met lasdozen, verbindingsstukken en bochten. 
    U kunt ook met een buigveer zelf bochten maken (met heet water of een föhn maakt u de buis buigzamer), of kiezen voor flexibele buis. De bevestiging gebeurt met beugeltjes (zadels), zo nodig gecombineerd met muurblokjes.

    Het benodigde gereedschap
    Voor de verwerking zijn de volgende gereedschappen nodig: spanningzoeker, combinatietang, stanleymes, striptang, schroevendraaiers. 
    Voor een klus met pvc-buis: ijzerzaag, buigveer, trekveer. Voor de inbouw: boormachine, beitel, hamer, plamuurmes.

    Extra stopcontacten aanbrengen
    Uitbreiding van het aantal wandcontactdozen kan op verschillende manieren. Bij het normaal dozensysteem onderbreekt u de bedrading tussen twee lasdozen, zaagt de buis door, plaatst er een nieuwe lasdoos bij en trekt vandaar een leiding naar het stopcontact. Bij het centraal dozensysteem legt u de leiding aan van het stopcontact naar de centrale doos. Een derde methode is om een stopcontact te vervangen door een lasdoos, waarmee u maximaal vier aansluitmogelijkheden creëert.

    Ga in alle gevallen als volgt te werk. Teken de plaats van de dozen en de leidingloop op de muur af. Verwijder de bestaande bedrading en monteer de lasdoos. Steek hierin de benodigde buizen en bevestig die met zadels tegen de muur, op de voorgeschreven afstanden.
    Muurdopjes gebruikt u wanneer de nieuwe contactdoos een montageplaat heeft.

    Trek met een trekveer de draden door de buis en laat de einden 10 cm uitsteken. Verwijder met een striptang 1 cm isolatie en verbind draden met dezelfde kleur door de aders in een lasklem te steken of ze met een tang in elkaar te draaien en van een lasdop te voorzien. Er mag geen koper meer zichtbaar zijn. Druk de verbindingen netjes in de lasdoos en schroef het deksel erop.
    Monteer aan het andere buiseinde de contactdoos. Boor hiervoor gaten van 6 mm en duw er pluggen in. Verwijder een stuk isolatie en zet elk draadeind vast in een klem of contactschroef. De bruine draad komt op het aansluitpunt met de P, de geelgroene op die met het aardeteken (in het midden). Schroef het geheel tegen de muur en plaats de afdekkap.

    Opbouw en inbouw
    Aanbrengen in het zicht is het makkelijkste. In plaats van de ronde pvc-buis kunt u ook een decoratieve platte buis en hoekstukken gebruiken. Voor inbouw boort u op de plaatsen waar de leidingen en inbouwdozen komen een flink aantal gaten in de muur. Hak de sleuven en uitsparingen uit. Zet de buizen vast met verbogen spijkertjes, het restauratiemiddel houdt ze straks vanzelf stevig op hun plaats. Trek eerst de bedrading en herstel dan de muur met specie, die u goed laat uitharden. Sluit de lasdoos aan, evenals de contactdoos, die u tenslotte vastzet in de inbouwdoos.

    Schakelaars, dimmers en stekkers
    Schakelaars en schakelmogelijkheden zijn zo divers, dat deze Kluswijzer slechts wat algemene opmerkingen wil maken. Werk altijd volgens de gebruiksaanwijzing. Alleen bij tweepolige schakelaars mogen de blauwe draden op de schakelaar worden aangesloten.
    Merk bij wisselschakelaars met drie zwarte draden, de draad die is aangesloten op de P-klem met een stukje tape. De andere twee zwarte draden mogen verwisseld worden.

    Vervangt u een schakelaar door een dimmer, kies dan een dimmer met de juiste of een overcapaciteit. Schroef de schakelaar, de ring en de bruine en zwarte draad los. Sluit de draden volgens de gebruiksaanwijzing aan op de dimmer. Zet deze vast in de inbouwdoos en monteer de afdekplaat en bedieningsknop. Behalve op- en inbouwdimmers bestaan er ook snoer- en tafeldimmers voor armaturen die op een stopcontact zijn aangesloten.

    Bij het monteren van een stekker verwijdert u 4 cm van de snoermantel. Ontdoe de aders van 1 cm isolatie, draai elke ader afzonderlijk in elkaar (solderen is beter) en schroef ze in de contactpennen. Doe het snoer onder de trekontlaster en zet de stekkerhelften in elkaar. Een snoer aansluiten op een fitting komt op hetzelfde neer. Net als de montage van een snoerschakelaar, waarbij u, afhankelijk van het type, een of beide aders doorknipt.

    Een lamp ophangen
    Hang een plafondlamp altijd aan een trekontlaster (haakje), nooit alleen aan de installatiedraden. Verbind installatie- en lampdraden met een kroonsteentje. Sluit de lamp aan op de centraaldoos, verleng dan zo nodig, na verwijdering van de afdekplaat, met een lasdop de zwarte schakeldraad en maak op de bestaande lasdop van de blauwe nuldraad een aftakking. Zet de afdekplaat terug en monteer het kroonsteentje. Komt de lamp een eind van de centraaldoos, leidt dan een snoer langs het plafond. Hang de lamp aan een losse, in het plafond aangebrachte trekontlaster (haakje).

    Verlichting in de tuin
    Voor het aanleggen van buitenverlichting gebruikt u spatwaterdichte lasdozen, contactdozen en schakelaars. Deze zijn voorzien van afsluitklepjes en hebben aan de onderkant condensgaten, die u moet doorprikken. Aansluitingen zijn mogelijk vanaf de meterkast, een inbouwdoos of een geaard stopcontact. Om een kabel door de buitenmuur te leiden, boort u een gat van 16 mm.

    Bescherm de kabel met een stuk pvc-buis en laat hem uitmonden in een lasdoos. De lasdoos heeft zeven ingangen; breek open welke u nodig heeft en vijl ze glad. Een waterdichte kabelaansluiting maakt u met een wartel en een rubberring.

    U kunt kiezen uit leidingen onder of boven de grond. Voor een bovengrondse leiding gebruikt u YMvK-kabel, die u vastzet met kabelzadels, om de 40 cm en maximaal 10 cm vanaf een aansluitpunt. Gebruik voor een ondergrondse leiding een YmvK-as (aardscherm)-kabel. Die heeft een gevlochten metalen mantel voor bescherming en aarding. Ontvlecht een stukje aan beide uiteinden, draai dat tot een draad en breng soldeer aan. Sluit het ene draadeind met een lasdop aan op de geelgroene aardedraad die van binnen komt en het andere op de aarde van de lichtarmatuur.

    De kabel moet minstens 50 cm diep worden ingegraven. Tot die diepte beschermt u hem met elektrabuis.

    De bouwmarkt verkoopt ook verplaatsbare buitenverlichting en stopcontacten. Hiervoor mag geen vinyl- of rubbersnoer gebruikt worden, maar alleen neopreen mantelkabel, die bestand is tegen vorst, vocht en zon. Een alternatief is een 12-volts lichtinstallatie, aangesloten op een transformator binnenshuis. Hierop kunt u ook een fonteinpomp aansluiten.

  • Zelf sanitair installeren

    U wilt uw oude wc met stortbak vervangen door een modern duoblok; u zou graag uw douchebak inruilen voor een comfortabel ligbad; u heeft behoefte aan een wastafel op uw slaapkamer. Dan gaat u naar de bouwmarkt of een speciaalzaak voor de aanschaf van nieuw sanitair en de benodigde installatiematerialen. De plaatsing kunt u natuurlijk aan een vakman overlaten, maar het is ook mogelijk om dat zelf te doen. Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Water aan- en afvoer
    Of u nu een toilet, een bad, een douche of een wastafel installeert, altijd krijgt u te maken met water dat moet worden aan- en afgevoerd. Ook als u zoveel mogelijk uitgaat van bestaande aansluitingen, ontkomt u vaak niet aan een kleine verlenging of omlegging.
    In verreweg de meeste huizen is de waterleiding van koper. Een 22 mm dikke buis komt uw huis binnen bij de watermeter en de hoofdstopkraan. Vandaar zijn er vertakkingen met een diameter van 15 mm naar de keuken, de badkamer en het toilet. Kranen en toestellen zijn vaak met een leiding van 12 mm dikte hierop aangesloten. Het water wordt afgevoerd via de verticale standpijp, die uitmondt op het riool. Afvoerbuizen zijn doorgaans van pvc; die van het toilet heeft een diameter van 110 mm, de overige meestal 40 of 50 mm. Aan het begin van elke afvoer zit een sifon of stankafsluiter, die altijd bereikbaar moet zijn om verstoppingen te kunnen verhelpen.
    Sluit voordat u begint altijd de waterleiding af. Dit kan door de hoofdkraan dicht te draaien en daarna alle kranen in huis open te zetten. Soms hebben vertakkingen een eigen stopkraan en is het voldoende om maar een gedeelte van het circuit af te sluiten. Op elke stopkraan zit een aftapkraantje, waarmee u het water uit de leiding laat lopen.

    Het benodigde materiaal
    Voor een sanitaire klus zijn de volgende gereedschappen nodig: rolmaat, waterpas, ijzerzaag en verstekbak of pijpensnijder, pijpenbuiger, schuurpapier, waterpomptang, steeksleutels, soldeerbrander, boormachine, schroevendraaier.

    Koperen aanvoerleidingen

    Voor de waterleiding gebruikt u koperen Kiwa-gekeurde buis met de juiste diameter. Buigen doet u met een pijpenbuiger of door bochtstukken van 45° of 90° aan te brengen. Andere verbindingen maakt u, afhankelijk van de situatie, met hulpstukken, zoals een muurplaat, een T-stuk of een kruisstuk. Met een sok koppelt u twee buiseinden, met twee S-koppelingen monteert u een mengkraan en voor uitzonderlijke gevallen is er de flexibele koppeling. U kunt de verbindingen solderen of gebruik maken van knelfittingen, wat een makkelijker maar iets duurdere methode is.

    Om te solderen zaagt of snijdt u de buis haaks af. Schuur de bramen weg en reinig de buitenkant van de buis en de binnenkant van het hulpstuk met staalwol. Smeer beide uiteinden in met soldeervet en schuif ze in elkaar. Zet de vlam van de brander erop. Zodra het vet gaat vloeien, drukt u de soldeerdraad tegen de afsluitnaad. Het soldeer vloeit dan vanzelf naar binnen. Maak de verbinding na afkoeling schoon met een vochtige doek.
    Ook voor een knelfitting moeten de buiseinden haaks en braamloos zijn. Schuif vervolgens op allebei de kanten de moer en dan de ring. Steek daarna de buizen in de fitting en draai de moeren met twee steeksleutels stevig vast.

    De leidingen zet u op de muur vast met beugels of klemzadels. Plaats deze maximaal een meter uit elkaar en op hooguit 15 cm van een haakse bocht. 
    Waterleidingen krimpen en zetten uit. Omring ze, waar ze door vloeren en muren gaan, met een stukje pvc-buis dat een iets grotere diameter heeft. De naden dicht u af met siliconenkit. Als de koperen leidingen worden ingestort in beton is het beter ze te omringen met PVC-buis.

    Kunststof afvoerleidingen
    Voor kunststof leidingen bestaan er eveneens hulpstukken als bochten, T-stukken en moffen. Als die zijn voorzien van een rubberen ring, steekt u ze zo in elkaar, anders gebruikt u pvc-lijm. Zaag de buizen haaks af en verwijder bramen met een mesje. Maak de onderdelen vetvrij met een speciaal reinigingsmiddel, breng de lijm op beide delen aan en schuif de delen in elkaar. Hierna mag u ze niet meer draaien, anders gaat de verbinding lekken. Met beugels bevestigt u de leidingen op de muur of tegen de onderkant van de vloer. Laat afvoerleidingen nooit precies horizontaal lopen.

    Een toilet installeren
    U kunt kiezen uit een toiletpot met uitlaat naar achteren of naar beneden. De afstand tussen de pot en de achterwand bepaalt het type waterreservoir. Wellicht is er voldoende ruimte voor een duoblok, waarbij pot en reservoir één geheel vormen. Anders komt de stortbak hoger tegen de wand. Of u blijft gewoon de oude gebruiken.

    Verwijder eerst alles dat u wilt vervangen. Draai de stopkraan van het reservoir dicht en spoel door, haal de valpijp weg, neem de stortbak van de wand en schroef de pot los. Stop het afvoergat tijdelijk dicht, zodat er niets in kan vallen.

    Bevestig de nieuwe stortbak aan de wand en monteer de toevoerleiding en het stopkraantje. Haal voordat u gaat solderen de losse onderdelen uit het kraantje, anders verbranden ze. Sluit vervolgens met een moer en een rubberen ring de pvc-buis naar de pot aan. Zet het nieuwe toilet boven de afvoer en teken de schroefgaten af.

    Boor de gaten; gebruik bij een betonvloer pluggen. Schuif het afvoermanchet over de uitlaat van de pot, eventueel met wat afwasmiddel en maak de naden waterdicht met siliconenkit. Plaats nu het toilet waterpas, met zo nodig wat stukjes hardboard onder de rand en schroef het vast. Sluit tot slot de valpijp aan. Bij een duoblok hoeft u alleen de pot te plaatsen en de watertoevoer te verzorgen.

    Een bad of douche aanleggen
    Bij een ligbad en een douche komen de leidingen voor warm en koud water binnen via een muurplaat. Hierop wordt een mengkraan aangesloten met behulp van twee S-koppelingen. Omdat die onafhankelijk van elkaar kunnen draaien, is het altijd mogelijk om de kraan exact horizontaal te bevestigen.
    U maakt de koppelingen waterdicht door de schroefdraad met teflontape te omwikkelen.

    Bad
    Lig-, zit- en andere baden zet u met stelpootjes zuiver horizontaal. De randen laat u rondom steunen op een ombouw. Waar het bad tegen de muur komt, bevestigt u met pluggen en schroeven een stevige lat. De andere zijden laat u rusten op een frame van bijvoorbeeld houten balken van ± 45 x 71 cm en gipsplaten. Beter is om wandjes van gasbetonblokken te metselen, die ook nog makkelijker te betegelen zijn. In de ombouw neemt u een tegelluikje op (in diverse maten verkrijgbaar), zodat u later altijd de sifon onder het bad of douchebak kunt bereiken.
    Maak eerst de afvoer in orde. Bevestig in het bad de afvoerplug en monteer de overloop, die hiermee één geheel vormt. Smeer de bovenrand van de ombouw af met specie en druk het bad hierin totdat hij op de ondersteuning rust. Dicht de naden rondom met siliconenkit. Breng dan via het luikje de sifon aan tussen de badplug en de afvoerleiding. Aan de onderkant van het metalen bad zit een lip die u met een blanke draad, beschermd door een elektrabuis, verbindt met de aardleiding. Als u de ruimte onder het bad opvult met glas- of steenwol, blijft het water langer warm. Sluit als laatste de mengkraan aan.

    Douche
    Het installeren van een douche gaat op dezelfde wijze als van een bad. Let op dat onder de bak voldoende ruimte overblijft voor de sifon.

    N.B.: In badkamers mogen verlichtingsarmaturen, contactdozen en elektrische apparaten uitsluitend worden aangebracht of gebruikt op ten minste 60 cm van het sanitair.

    Een wastafel plaatsen
    Alleen een sterke wand kan een wastafel dragen. Breng daarom in een gipsplatenwand eerst een extra dwarsligger of een stuk multiplex aan tussen twee staanders van het regelwerk. Een wastafel hangt gemiddeld 90 cm hoog.

    Maak aftakkingen (12 mm) van de leidingen voor warm en koud water. Hiervoor zaagt u de leiding door op twee plaatsen, 19 mm van elkaar. Verwijder het losse pijpje en zet er een T-stuk voor in de plaats. Op soortgelijke wijze leidt u vanaf de riolering een pvc-afvoerbuis (40 mm) tot midden onder de wastafel, zo dicht mogelijk tegen de wand.

    Monteer vervolgens de twee verbuigbare kraanbuisjes in de daarvoor bestemde openingen van de wasbak, alsmede de kraan zelf. Zet ook de afvoerplug vast. Aan de achterkant van de wastafel zitten twee ophanggaten. Meet nauwkeurig hun hart-op-hartafstand op en teken ze met behulp van een waterpas af op de wand. Boor gaten van 12 mm, steek er pluggen in en bevestig de wasbak met de bijgeleverde ophanghaken, plugbouten of draadstiften. Plaats tenslotte de sifon en sluit de aan- en afvoerleidingen aan.

    Waterbesparend sanitair
    De gemiddelde Nederlander gebruikt 135 liter water per dag ofwel 50.000 liter per jaar. Waterbesparend sanitair is niet alleen gunstig voor het milieu, maar ook voor uw portemonnee. Een waterzuinig toilet kan het verbruik terugdringen tot 10.000 liter per persoon per jaar. Een stortbak met een beperkte inhoud en een spoelonderbreking, die u beide ook op een bestaand toilet kunt aanbrengen, bespaart ongeveer 5.000 liter. Bij een spaardouchekop - geschikt voor een combiketel of een boiler, niet voor een kleine geiser - kan de besparing oplopen tot 7.500 liter. Bovendien verbruikt u hiermee minder gas. Voor keuken- en wastafelkranen zijn volumebegrenzers verkrijgbaar, die zowel water (1.500 liter) als gas besparen. Bij elkaar scheelt dat al gauw een paar tientjes per jaar. Dit is misschien niet veel, maar wel mooi meegenomen.

    Wandtegels
    De meest voor de hand liggende plaatsen voor wandtegels zijn badkamer, keuken en toilet. Voor elke toepassing verkopen bouwmarkten en speciaalzaken tegels in talloze kleuren en decoraties, variërend in dikte en afmetingen. U kunt ze recht onder elkaar aanbrengen, in een verspringend patroon, met een bijpassende sierstrook of met hier en daar een afwijkende tegel als speelse onderbreking.

    Meet om te beginnen nauwkeurig de oppervlakte die u wilt betegelen en bereken het aantal benodigde tegels + 1 m² reserve voor onderhoud. Van de gangbare maat 15 x 15 cm gaan er 44 tegels in een vierkante meter. Neem de hoeveelheid ruim in verband met breuk- en snijverliezen en let op dat elke verpakking een gelijk tintnummer heeft. Voor de voegdikte kunt u kiezen uit voegkruisjes van 2, 3 of 4 mm. Voor uitwendige hoeken bestaan er tegels met meegeglazuurde zijkanten. In verband met uitglijden dienen de vloertegels van de badruimte voldoende stroef bestendig te zijn.

    Het benodigde materiaal
    Bij het betegelen van een wand zijn de volgende gereedschappen nodig: 
    rolmaat, waterpas, stellatten, tegelsnijder, boormachine, draadzaag, punthamertje, tegeltang, lijmkam, harde spons.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone, droge ondergrond. Repareer scheuren en gaten met een vulmiddel. Op hout, spaanplaat, een te zachte of een erg beschadigde pleisterlaag kunt u beter eerst gipsplaten aanbrengen, die u behandelt met een voorstrijkmiddel. Verf en betonemaille maakt u vlak door er met een ruwe baksteen over te wrijven. Dient een oude goed vastzittende tegellaag als ondergrond, gebruik dan een speciale pastalijm en laat de nieuwe voegen op een andere plaats komen dan de oude. De tegellaag dient eerst goed ontvet te worden.(Elke ondergrond voorstrijken voor hechting).

    De positie van de eerste tegels bepaalt u met startlatten. Leg voor de wand een rij tegels neer, inclusief voegkruisjes, zodanig dat aan beide zijden dezelfde pasmaat van tenminste een halve tegel overblijft. Smokkel zo nodig iets met de voegdikte. Zet de meest linker en de meest rechter tegel overeind en bevestig hierlangs aan de buitenzijde twee verticale latten waarop u een laagverdeling (tegel + vloer) heeft afgetekend. Meet de hoogte van de opstaande tegels plus voeg en bevestig op dat niveau een zuiver horizontale lat.

    De tegels aanbrengen
    Maak de tegellijm aan volgens de gebruiksaanwijzing. Voor wanden gebruikt u tegel pastalijm en voor de vloer tegel poederlijm. U strijkt met een lijmkam de lijm op de muur, een vierkante meter per keer in een 3 mm dikke laag. Vanuit de hoek links- of rechtsonder brengt u rij voor rij de tegels met tussenliggende voegkruisjes aan. Neem tegels afwisselend uit verschillende verpakkingen voor een mooie kleurstructuur.

    Controleer na elke laag of u exact recht blijft. Als de lijm hard is, verwijdert u de latten. Snij de tegels voor de ontbrekende rijen op maat. Kras ze hiervoor in met een tegelsnijder of kraspen, leg ze over een dun latje en breek ze voorzichtig door. Smalle randjes breekt u na het insnijden af met een tegeltang. Betegel vervolgens de muur af en verwijder lijmresten.

    Overigens maakt u uitsparingen voor leidingen en kranen met een boor en een hamer of zaag. Teken het gat af en boor rondom kleine gaatjes. Tik het rondje eruit met een punthamer en werkt het gat bij met een tegeltang. Of boor binnen de lijn een groter gat en steek hierdoor een draadzaag en zaag het rondje uit. Een decoupeerzaag met een keramiekzaagje is ook geschikt.

    Afvoegen kunt u na 24 uur. Wrijf de speciale specie met een harde spons diagonaal in de voegen. Verwijder na een korte droogtijd de overtollige specie met veel schoon water. Werk voegen in hoeken, ruimtes om de leidingen, vooral in natte ruimten, af met schimmelwerende siliconenkit, nadat deze zeer goed droog, stof- en vetvrij zijn gemaakt!

  • Zelf een keuken installeren

    U wilt een groter aanrechtblad met een extra spoelbak; u heeft behoefte aan ruimere keukenkasten; u bent na jaren sparen eindelijk aan die droomkeuken toe. Dan kunt u natuurlijk een nieuwe keuken door een vakman laten installeren, maar dankzij de moderne zelfbouwkeukens hoeft dat niet. Zeker wanneer u uitgaat van de bestaande aansluitingen voor gas, elektriciteit, warm en koud water en de afvoer, is de installatie heel goed zelf te doen. 
    Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Het aanbod van zelfbouwkeukens bij bouwmarkten en speciaalzaken is misschien wel net zo groot als de keuze aan inbouwapparatuur. Verschillende typen kasten, laden en werkbladen met een enkele of dubbele spoelbak, kunnen gecombineerd worden met een koelkast, een fornuis, een afzuigkap, een (magnetron)oven en eventueel ook een vaatwasser en een wasmachine. De stijl van de nieuwe keuken is uiteraard een kwestie van persoonlijke smaak. De indeling wordt bepaald door de beschikbare ruimte en de gewenste huishoudelijke apparaten.

    Maak een keukenplan
    Om goed duidelijk te krijgen wat de mogelijkheden zijn, is het verstandig eerst een keukenplan te maken. Teken op een stuk papier, liefst op schaal (bijvoorbeeld op millimeterpapier), de omtrek van uw huidige keuken met daarop de plaats van de gas-, water- en elektra- aansluitingen. Geef op deze tekening ook de plaats van de ramen, deuren, radiatoren en vensterbanken aan. Teken vervolgens de onder- en bovenkastjes van uw huidige keuken in de tekening. De meeste bouwmarkten en keukenleveranciers bieden de mogelijkheid voor u een keukenplan te maken. Het is daarom van groot belang dat u vooraf de juiste maten (lengte, breedte en hoogte) neemt van uw huidige keuken.
    Wilt u het plan helemaal zelf uitwerken, ga dan als volgt te werk. Controleer of alle muren haaks zijn. Dat gaat eenvoudig door middel van een driehoeksmeting: u tekent op de ene muur 80 cm af en op de naastgelegen muur 60 cm; wanneer de diagonale afstand tussen beide punten precies 100 cm is, zijn ze haaks. Kijk op dezelfde manier of de muren loodrecht staan ten opzichte van de vloer. Met afwijkingen dient u rekening te houden in de tekening. Van de toekomstige keuken tekent u eerst een 60 cm diep aanrechtblad, recht of met een hoek. Deel dan de hoofdfuncties in. Waar wilt u koken, waar afwassen, waar komt de koelkast en hoe hoog is die? Spoelen en afwassen vraagt om een spoelbak die 50 cm kastruimte inneemt, maar u kunt ook een dubbele van 1 meter breedte nemen. Een ingebouwde vierpits gaskookplaat vergt een kastruimte van 60 cm, maar misschien kookt u op een smaller fornuis.

    Plaats dit dan, in verband met de ovendeur, niet strak tegen de zijmuur. Aan beide kanten van een functie is een werkruimte van 50 cm praktisch. Een werkblad kan altijd op de gewenste maat gezaagd worden.
    Teken vervolgens welke apparatuur u nog meer in de keuken kwijt kunt. Eindig met de planning van opbergkasten, zowel onder het werkblad als aan de wanden erboven en ernaast. Schets voor alle duidelijkheid behalve een boven- ook een vooraanzicht van het keukenblok.

    Installeer de keuken
    De keuken kan pas geïnstalleerd worden nadat een aantal voorbereidende werkzaamheden zijn afgerond. Zo moeten - met het keukenplan en het montagevoorschrift binnen handbereik - de waterleiding en -afvoer op de juiste plaats zijn aangebracht, bij voorkeur weggewerkt in de muur. Dat geldt ook voor elektrische aansluitpunten. De gasaansluiting moet voorzien zijn van een afsluitkraan en mag niet achter de oven komen.
    Wijzigingen aan de installatie mogen alleen uitgevoerd worden door een erkende installateur. Het tegelwerk maakt u het eenvoudigst voor de installatie in orde.

    Kasten zet u eerst zonder fronten en laden in elkaar, te beginnen met die onder het werkblad. Stel deze kastrompen waterpas en koppel ze aan elkaar. Verzorg de uitsparingen voor de aansluitpunten die in de kasten terechtkomen.
    Maak vervolgens het blad op maat en leg het op de onderkasten. Hang vervolgens de bovenkastjes waterpas aan duimhaken of een ophangregel. Bevat het keukenblok ook één of meer hoge wandkasten, hang de bovenkastjes dan zo hoog dat alle kasten aan de bovenkant op gelijk niveau komen. Zijn in het werkblad nog geen uitsparingen voor spoelbak en kookplaat aangebracht, maak die dan nu aan de hand van de bijgeleverde mallen. Monteer de spoelbak en de kookplaat volgens voorschrift en dicht alle randen zorgvuldig af met een ruime hoeveelheid siliconenkit. Zaag de tegelafwerkstrip op lengte en bevestig die aan het blad. Druk het blad tegen de muur en schroef het vast aan de onderkasten. Monteer de muur- of bladmengkraan.

    Deuren en laden afstellen
    Het aanbrengen van laden en deuren behoort tot de laatste werkzaamheden. Ladefronten zijn met stelschroefjes in de juiste positie af te stellen. Deurscharnieren hebben doorgaans twee schroeven; door de achterste enkele slagen in- of uit te draaien stelt u de deurtjes recht, met de voorste zet u ze vast. Kroonlijsten, lichtlijsten en een voorzetplint zorgen voor een professionele afwerking.

    N.B.: Bovenstaande wenken zijn zeer algemeen. De installatie van een keuken hangt sterk af van het type en de fabrikant ervan. Altijd wordt een uitgebreid montagevoorschrift bijgeleverd.

    Wandtegels
    Voor elke toepassing verkopen bouwmarkten en speciaalzaken tegels in talloze kleuren en decoraties, variërend in dikte en afmetingen. U kunt ze recht onder elkaar aanbrengen, in een verspringend patroon, met een bijpassende sierstrook of met hier en daar een afwijkende tegel als speelse onderbreking.

    Meet om te beginnen nauwkeurig de oppervlakte die u wilt betegelen en bereken het aantal benodigde tegels. Van de gangbare maat 15 x 15 cm gaan er 44 tegels in een vierkante meter. Neem de hoeveelheid ruim in verband met breuk- en snijverliezen en let op dat elke verpakking een gelijk tintnummer heeft. Voor de voegdikte kunt u kiezen uit voegkruisjes van 2, 3 of 4 mm. Voor uitwendige hoeken bestaan er tegels met meegeglazuurde zijkanten.

    Het benodigde gereedschap
    Bij het betegelen van een wand zijn de volgende gereedschappen nodig: 
    rolmaat, waterpas, stellatten, tegelsnijder, boormachine, draadzaag, punthamertje, tegeltang, lijmkam, harde spons.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone, droge ondergrond. Repareer scheuren en gaten met een vulmiddel. Op hout, spaanplaat, een te zachte of een erg beschadigde pleisterlaag kunt u beter eerst gipsplaten aanbrengen, die u behandelt met een voorstrijkmiddel. Verf en betonemaille maakt u vlak door er met een ruwe baksteen over te wrijven en goed te ontvetten. 
    Dient een oude goed vastzittende tegellaag als ondergrond, gebruik dan een speciale pastalijm en laat de nieuwe voegen op een andere plaats komen dan de oude. Indien loszittende oude tegellaag deze dan verwijderen.

    De positie van de eerste tegels bepaalt u met startlatten. Leg voor de wand een rij tegels neer, inclusief voegkruisjes, zodanig dat aan beide zijden dezelfde pasmaat van tenminste een halve tegel overblijft. Smokkel zo nodig iets met de voegdikte. Zet de meest linker en de meest rechter tegel overeind en bevestig hierlangs aan de buitenzijde twee verticale latten waarop u een laagverdeling (tegel + voeg) heeft afgetekend. Meet de hoogte van de opstaande tegels plus voeg en bevestig op dat niveau een zuiver horizontale lat.

    De tegels aanbrengen
    Maak de tegellijm aan volgens de gebruiksaanwijzing. U strijkt met een lijmkam de lijm op de muur, een vierkante meter per keer in een 3 mm dikke laag. Vanuit de hoek links- of rechtsonder brengt u rij voor rij de tegels met tussenliggende voegkruisjes aan. Neem tegels afwisselend uit verschillende verpakkingen voor een mooie kleurstructuur.

    Controleer na elke laag of u exact recht blijft. Als de lijm hard is, verwijdert u de latten. Snij de tegels voor de ontbrekende rijen op maat. Kras ze hiervoor in met een tegelsnijder of kraspen, leg ze over een dun latje en breek ze voorzichtig door. Smalle randjes breekt u na het insnijden af met een tegeltang. Betegel vervolgens de muur af en verwijder lijmresten.

    Overigens maakt u uitsparingen voor leidingen en kranen met een boor en een hamer of zaag. Teken het gat af en boor rondom kleine gaatjes. Tik het rondje eruit met een punthamer en werk het gat bij met een tegeltang. Of boor binnen de lijn een groter gat en steek hierdoor een draadzaag en zaag het rondje uit. Een decoupeerzaag met een keramiekzaagje is ook geschikt.

    Afvoegen kunt u na 24 uur. Wrijf de speciale specie met een harde spons diagonaal in de voegen.

    Verwijder na een korte droogtijd de overtollige specie met veel schoon water. Werk voegen in hoeken, vooral in natte ruimten, af met siliconenkit, nadat de hoeken + ruimten om de leidingen zeer goed droog, stof- en vetvrij zijn gemaakt.

  • Zelf een vaste trap plaatsen

    Zelf een vaste trap plaatsen
    Alvorens te starten met plannen maken zal er eerst moeten worden geïnformeerd wat voor type (model) trap er in uw woning naar de zolder geplaatst kan worden. Zo kan er mogelijkerwijs een offerte door een trappenfabrikant worden aangeboden. Hier zal naar de verdiepingshoogte worden gekeken en aan de hand van deze gegevens zal de aan- en optrede van de nieuwe trap worden bepaald.

    De aantrede zal aan een minimale maat van 0,13 meter ter plaatse van de klimlijn gemeten loodrecht op de voorkant van de traptrede moeten voldoen en de maximum maat van de optrede mag niet meer dan 0,22 meter bedragen. (Dit geheel volgens het geldende BOUWBESLUIT).

    Start van de klus
    Op de zoldervloer zal eerst de richting en plaats van de balken van de verdiepingsvloer moeten worden vastgelegd.
    De grootte van de sparing zal moeten voldoen aan de eisen volgens Bouwbesluit.
    De ruimte waar je bovenkomt moet minimaal een vrije vloeroppervlakte hebben van 0,70 x 0,70 meter, met een vrije hoogte van 2.20 meter.
    Voor het maken van de raveling voor het trapgat dient de zoldervloer op de overloop door middel van schroefstempels te moeten worden ondersteund. Dan pas kunnen vloerdelen en de balklaag ter plaatse van het nieuwe trapgat worden weggezaagd. Het door en aan elkaar vastmaken van de resterende balklaag om zo weer een geheel te krijgen, zal door diverse soorten ankers en verbindingsmiddelen aan elkaar worden gekoppeld (bijvoorbeeld griphoek ankers).
    Zijn de balken van de zoldervloer weer aan elkaar gekoppeld en is de sparing weer een star geheel, dan kunnen de schroefstempels, die op de overloop ter ondersteuning van de zoldervloer bij het maken van de trapsparing dienden, weer worden verwijderd.

    De trap (wanneer deze prefab door een trappenfabriek is gemaakt en geleverd) kan het beste als de ruimte aanwezig is, op zolder in elkaar worden gezet.(Dan kunt u de trap na montage van zolder af door de sparing van de vloer naar de overloop laten zakken. Wanneer deze op het oog op de goede plaats staat kan men vervolgens met de waterpas de trap te LOOD zetten. Staat de trap goed gesteld dan kan de trapboom aan de bouwmuur door middel van spijkerpluggen of gewone schroeven met pluggen worden vastgezet.

    Voor de veiligheid van het betreden van de nieuwe trap zal er zorggedragen moeten worden dat er een leuning wordt gemonteerd en wel standaard op de bouwmuur (op deze muur is meestal ook de trapboom bevestigd). De trapleuning zit op een hoogte van minimaal 80 cm en maximaal 100 cm haaks gemeten van boven- en voorzijde traptrede, door middel van leuningdragers die op een onderlinge afstand gemonteerd zijn van ± 80 cm. Hierna is de nieuwe vaste trap af te werken naar wens van de bewoner.

  • Zelf uw wand verfraaien

    Behang, verf, sierpleister, stukadoren, steenstrips

    Wie wil het interieur van zijn woning niet verfraaien? Een ander verfje, een nieuw behangetje, daar is iedereen op z'n tijd aan toe. Voor veel mensen zijn schilderen en behangen de enige klussen die ze zelf doen. Anderen willen meer en voorzien bijvoorbeeld een wand in de woonkamer van steenstrips, sierpleister of structuurverf. Belangrijk bij al deze werkzaamheden is een gladde ondergrond. Deze Kluswijzer vertelt meer over verfraaiingen in huis, van het aanbrengen van een stuclaag tot het schilderen van binnenmuren en houtwerk.

    Behangen
    Behang is nog altijd de meest gangbare wandbekleding. De keuzemogelijkheden van kleur, dessin, patroon en prijsklasse zijn dan ook zo uitgebreid, dat iedereen altijd wel iets van zijn of haar persoonlijke smaak kan vinden. Er is normaal behang, duplex behang, rauhfaser, vinylbehang, structuurbehang, textielbehang en metaalfoliebehang. Ook binnen deze categorieën bestaan weer soorten met verschillende eigenschappen, die in pictogrammen op de verpakking staan aangegeven. Bestudeer bij de aanschaf dus nauwkeurig de etiketten en let meteen op dat rollen van hetzelfde behang ook hetzelfde verfbadnummer hebben. Bij de berekening van het aantal benodigde rollen gaat u ervan uit dat een rol behang 10 meter lang en 53 cm breed is (uitgezonderd rauhfaser en textielbehang). Bij een gemiddelde kamerhoogte van 245 cm haalt u dus vier hele banen uit een rol. Van behang waarvan het patroon verspringt heeft u doorgaans meer rollen nodig.

    Het benodigde gereedschap
    Voor een behangklus zijn de volgende gereedschappen voldoende: trap, plaktafel, emmer, insmeerborstel, behangborstel, rolmaat, potlood, behangschaar, schietlood en nadenroller.
    Om oud behang te verwijderen: afweekmiddel, witkwast, plamuurmes, schuurpapier, vulpasta, eventueel een stoomapparaat.

    De voorbereidingen
    Behangen gaat het beste op kale muren. Oude behanglagen verwijdert u met water waarin een afweekmiddel is opgelost. (Een scheut afwasmiddel werkt ook even goed.) Smeer dit met een kwast op het behang en laat het inweken. Steek dan het behang met een breed plamuurmes af, voorzichtig, om zo min mogelijk de stuclaag te beschadigen. U kunt ook een (gehuurd) stoomapparaat gebruiken. Was de achtergebleven lijmresten af met zeepsop, laat de muur goed drogen en schuur hem licht met schuurpapier. Reinig de muur na met schoon water. Werk oneffenheden bij met een vulmiddel. Knip de banen 10 cm langer dan kamerhoogte. Merk ze achterop met een potloodstreepje, zodat ze straks allemaal in dezelfde richting op de muur komen of, wanneer ze 'stotend' geplakt moet worden, de ene normaal en de volgende ondersteboven. Houd er bij patroonbehang tijdens het knippen rekening mee hoe de banen op elkaar aansluiten. Maak het plaksel aan volgens voorschrift. Schakel de stroom uit alvorens u de contactdozen, lichtknoppen en afdekplaten verwijderd.

    Het behang aanbrengen
    Teken voor het aanbrengen van de eerste baan een loodlijn op de muur, ongeveer een halve meter uit de hoek, zodat u de baan ernaast een paar centimeter door de hoek heen kunt plakken. Leg een stapel banen op de plaktafel en smeer de eerste baan gelijkmatig in vanuit het midden naar de zijkanten, waarbij het onderliggende behang ervoor zorgt dat de tafel schoon blijft. Sla de baan gedeeltelijk dubbel, trek hem een eind op en smeer het restant in. Sla daarna ook dit deel naar binnen, zodat de lijm 5 tot 10 minuten kan intrekken. Plaats de eerste baan precies tegen de loodlijn en laat bij het plafond een paar centimeter over. Dit randje knipt u later af. Wrijf met een borstel het behang tegen de muur, ook hier vanuit het midden naar de zijkanten, zodat luchtbellen verdwijnen. Trek het onderste gedeelte van de baan voorzichtig los en borstel het vast. Druk vervolgens met de stompe kant van de schaar de boven- en onderkant van het behang strak in de hoek en knip de randen langs de vouwlijn af.
    De volgende banen doet u op dezelfde manier. Plak stotend, dat wil zeggen de randen niet over, maar tegen elkaar. Ga met de nadenroller over de naden heen en snij daarna het behang langs het metalen montageplaatje in. Knip bij zowel inwendige als uitwendige hoeken de banen zo breed af, dat ze niet meer dan enkele centimeters door of over de hoek heen komen. Bij nissen, kozijnen en vensterbanken komen de reststukken goed van pas.

    Schilderen (alleen binnen de woning)
    Het schilderen van deuren, kozijnen, vensterbanken, radiatoren en dergelijke geeft elk interieur al gauw een nieuw, fris aanzien. Daarbij is een laklaag goed voor bescherming van de ondergrond. Mooi, sterk schilderwerk wordt opgebouwd uit een aantal lagen, die tussendoor voldoende moeten drogen. Voor grondverven, voorlakken en aflakken zijn vele soorten verf verkrijgbaar. Watergedragen verven verdienen de voorkeur in verband met de gezondheid van de verwerker.

    Het benodigde gereedschap
    Het minimaal benodigde gereedschap omvat kwasten of verfrollers, een plamuurmes, schuurpapier en eventueel een verfkrabber.

    Schilderen van nieuw hout

    • Gronden: zorg dat nieuw hout goed droog is. Herstel gaten en scheurtjes met een vulmiddel (geen plamuur), dat u voldoende laat uitharden. Schuur het hout met middelfijn en daarna met fijn schuurpapier en maak het, zoals na elke schuurbeurt, stofvrij. Breng een laag grondverf op, wit als u uiteindelijk met een lichte kleur afwerkt, grijs bij een donkere kleur. Schuur na het drogen weer met fijn schuurpapier. Delen van het hout die nog ruw aanvoelen, voorziet u vervolgens van een zo dun mogelijke laag plamuur, die na droging weer fijn geschuurd dienen te worden. Soms is een tweede grondverflaag wenselijk. Overigens kunt u grote oppervlakken board of spaanplaat ook in één bewerking gronden en plamuren met kwastplamuur.
    • Voorlakken: voorlakken doet u bij voorkeur met verdund hoogglansverf. 
      Deze laag moet minstens 12 uur drogen en dan fijn geschuurd worden. 
      Dit geldt niet voor High-Solid verf; deze mag niet verdund worden.
    • Aflakken: lak het hout zo snel mogelijk na de voorbehandeling af met een dunne laag hoogglans- of zijdeglansverf. Grote oppervlakken doet u naar keuze met een kwast of verfroller. Voorkom zakkers door de verf dik op te brengen, daarna horizontaal uit te strijken en tenslotte af te werken in regelmatige, verticale streken die goed in elkaar overvloeien. Houd de banen circa 50 cm breed en schilder het hele vlak zonder pauzes af. Breng zo nodig, na licht schuren, een tweede laag aan.

    Schilderen van geverfd hout
    Controleer de staat van de oude laag. Zijn slechts hier en daar enige bladders te zien, krab die losse delen dan weg en vul de kale plekken op met plamuur of kneedbaar hout. Schuur hierna het hele te verven oppervlak dof en verwijder vet en stof met water en ammoniak.
    Voor- en aflakken gaat hetzelfde als bij nieuw hout. Oude verflagen in slechte staat kunt u het beste helemaal verwijderen. Hiervoor bestaan drie manieren. Met een afbrander, waarbij u de brede vlam voortdurend over kleine stukjes beweegt en de opgeweekte verf afkrabt. Met een chemisch afbijtmiddel, dat u met een kwast opbrengt en een kwartier tot een halfuur laat inwerken alvorens af te krabben. Of, de veiligste en milieuvriendelijkste manier, met een hete lucht afbrander.

    Schilderen van radiatoren
    Verwijder loszittende verf en roest met grof schuurpapier of een staalborstel. Ontvet het oppervlak met terpentine of thinner. Bedek kale plekken met menie en schuur dit, na droging, lichtjes. Behandel het hele oppervlak met primer, de grondverf voor metaal. Hierna kunt u voor- en aflakken met hoogglansverf, die bestand is tegen hoge temperaturen.

    Speciale verftechnieken
    Wie wanden schildert met een blokkwast of een verfroller, brengt doorgaans witte latex aan of hooguit muurverf waaraan een mengkleurtje is toegevoegd. Met sponstechnieken zijn echter verrassender resultaten te bereiken, zoals een gevlekt of een verweerd uiterlijk. Ook op hout zijn met speciale, maar eenvoudige verftechnieken bijzondere effecten te bereiken. Vraag naar informatie bij de bouwmarkt.

    Sierpleisteren
    Sierpleister zorgt voor een decoratieve wand in iedere gewenste structuur. Het hecht op vrijwel elke vetvrije ondergrond, is sterk, blijft lang schoon en geeft het vertrek een ruime indruk. U kunt onder meer kiezen uit sierpleister met boomschorsstructuur, granol met korrels van 1 of 2 mm en structuurverf voor fijnkorrelige structuren.

    Het benodigde gereedschap
    Voor het aanbrengen van sierpleister zijn de volgende gereedschappen voldoende: spaarbord, roestvrijstalen plakspaan, kunststof schuurspaan, blokkwast. Voor structuurverf zijn een blokwitter en een vachtroller voldoende.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone en droge ondergrond. Verwijder oude verflagen, behang- en lijmresten, repareer scheuren en gaten met een vulmiddel. Breng voor een optimale hechting eerst een voorstrijkmiddel op. Gaat u een mengkleur gebruiken, breng dan alle sierpleister of structuurverf in één keer op kleur. Meng de kleur eventueel ook al door het voorstrijkmiddel. Voordat u de pleister op de muur gaat aanbrengen, is het verstandig om even op een stuk hout te oefenen.

    Het sierpleister aanbrengen
    Breng het sierpleister met de plakspaan van beneden naar boven gelijkmatig op de wand, in een laag van circa 2 mm dikte. Strijk het overtollige pleister weg met de spaan onder een hoek van 45 graden. Doe niet meer dan stroken van twee meter breedte tegelijk. De structuur moet binnen twintig minuten worden aangebracht met een schuurspaan. Plaats deze plat op de wand en beweeg hem verticaal, draaiend of op een andere fantasievolle, maar wel zo regelmatig mogelijke manier. Reinig voor het mooiste resultaat het gereedschap regelmatig met water. Schilder bij structuurverf eerst in de hoeken, langs plinten en kozijnen en verf hierna de grote oppervlakken. Breng de structuur na zo'n tien minuten droogtijd aan met een vachtroller.

    Stukadoren
    Stukadoorsmortel is in twee soorten verkrijgbaar. Roodband geeft de ideale gladde ondergrond voor behang, sierpleister en structuurverf. Geelband is grover en meer geschikt voor gekorreld schuurwerk en pleisterwerk. Beide zijn bruikbaar op elk steenachtige ondergrond. Ze worden verkocht in zakken van 25 kilo, genoeg voor een oppervlakte van 5 m², in een laag van 5 mm dikte.

    Het benodigde gereedschap
    Om te stukadoren zijn de volgende gereedschappen voldoende: een kuip en een mixer voor op de boormachine (beide te huur), spaarbord van 50 x 50 cm, plakspaan, troffel, rei (liniaal zonder cijfers) schuurbord, hoekschopje, spons, blokkwast, waterpas.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een schone, droge, stofvrije ondergrond. Breng op sterk zuigende muren (gasbeton, porisosteen, kalksteen) met een blokkwast een gronderingsmiddel aan. Voorzie muren die juist weinig vocht opnemen (beton, gipsblokken, betonemaille) van een hechtingsmiddel. Controleer bij geverfde muren of de ondergrond niet loslaat, verwijder anders eerst de verflaag. Schilder een donkere ondergrond, die naderhand kan doorschijnen, eerst over met lichte schrobvaste latex.

    Maak de mortel aan volgens de aanwijzingen op de verpakking.

    Gaat u een hele wand stukadoren, plak dan met een beetje specie een paar latten van 5 cm dikte op de muur, zodat u straks goed kunt afreien. Kijk met een waterpas of deze stukgeleiders horizontaal hangen en plak ze zover uit elkaar, dat de rei die kan overbruggen.

    De mortel aanbrengen
    Schep wat mortel op het spaarbord. Plaats de plakspaan met de lange kant onder een hoek van 45 graden tegen de muur en smeer de mortel met een opgaande beweging uit. Heeft u een stuk gedaan, beweeg dan de rei erlangs, zigzag van boven naar beneden. Voeg waar nodig met de troffel specie toe en rei grote vlakken nogmaals af, maar dan diagonaal. Werk opgebolde mortel bij met de kwast.

    Hoeken zijn extra te verstevigen. Op een buitenhoek bevestigt u met wat mortel een metalen hoekbeschermer, die u wegwerkt onder het stucwerk. Bij een binnenhoek brengt u de mortel aan tot helemaal in de hoek en maakt die vervolgens strak met het hoekschopje. Snij de hoek vervolgens met de punt van de plakspaan of de troffel door.

    Na anderhalf uur is het pleisterwerk stijf genoeg om bijgewerkt te worden. Schuur met een vochtige harde spons alle oneffenheden vlak. Verwijder de eventuele stucgeleiders en vul de groeven op met mortel. Schuur nogmaals als de pleister goed hard is. De wand is nu klaar om af te werken met sierpleister, steenstrips, behang of muurverf.

    Scheuren dichten
    Kleine scheurtjes in het stucwerk repareert u met elastisch vulmiddel. Grotere scheuren kunt u herstellen door ze wat verder open te werken, goed schoon te maken, te bevochtigen en dicht te stoppen met mortel of een vulmiddel. Vaak scheurt een reparatie na verloop van tijd opnieuw, maar dat kan voorkomen worden. Steek aan beide zijden van de scheur zo'n 15 cm stucwerk weg, maak het gat schoon en vul hem eerst met acrylaatkit. Bevochtig de gleuf en breng een dunne laag gipspleister aan. Duw direct hierna een stuk stucband of glasvlies met de plakspaan in de pleisterlaag. Eindig met een tweede laag gipspleister, dik genoeg om de muur weer geheel vlak te maken.

    Steenstrips aanbrengen
    Steenstrips suggereren een traditioneel gemetselde wand binnenshuis. Ze kunnen in diverse patronen aangebracht worden. Verkrijgbaar zijn verschillende soorten echte bakstenen strips die, afhankelijk van hun dikte, wel of niet afgevoegd moeten worden.

    Het benodigde gereedschap
    Voor het maken van een steenstripwand zijn de volgende gereedschappen voldoende: 
    waterpas, rolmaat, zaagje, stellatten, metselkoord, lijmspatel. 
    Om te voegen: emmer, voegplankje, voegspijker.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone, droge wand zonder beschadigingen. Monteer aan beide uiteinden van de wand, van de vloer tot het plafond, twee latten waarop u een laagverdeling heeft afgetekend. Hiertussen spant u het metselkoord. Een laag bestaat uit een steenstrip met voeg; pas zo nodig de voegdikte (ongeveer 5 mm) aan zodat u op een aantal hele steenstrips uitkomt.

    De steenstrips aanbrengen
    Bij steenstrips smeert u een 3 mm dikke laag lijm op de steenstrip. Druk de strip met schuivende bewegingen muurvast, precies langs het metselkoord. Breng het koord na elke laag een maatstreep omhoog. Aan het eind van de muur moeten vaak strips verkleind worden. Bakstenen strips zijn eenvoudig met een beitel aan de achterzijde in te krassen en vervolgens te breken. Nadat de lijm tenminste 12 uur heeft gedroogd, kunt u beginnen met afvoegen. Meng hiervoor in de emmer een kant en klaar voegsel voor steenstrips, of een specie van cement en rivierzand. Neem wat voegsel op het voegplankje en strijk het met de voegspijker stevig tussen de strips. Kies voor een volle, een terug liggende of een uitgeholde voeg. In het laatste geval drukt u een stuk elektriciteitspijp in natte mortel.
    Een rustiek uiterlijk ontstaat door over een volle voeg met een stevige borstel te strijken.

  • Zelf uw interieur verfraaien

    "Harde" vloerbedekking wand- en plafondbetimmering
    Het interieur van de woning verfraaien, wie doet dat niet van tijd tot tijd? Sommige klussen, zoals witten, behangen en schilderen, keren regelmatig terug. Andere werkzaamheden zijn bedoeld om langer plezier van te hebben. Denk bijvoorbeeld aan het betegelen van vloeren, parket leggen, een houten of kunststof betimmering aanbrengen tegen een muur of een plafond. Over zulke duurzame verfraaiingen vertelt deze Kluswijzer meer.

    Parket
    Feitelijk bestaan er maar twee soorten parket: zwevend of gelijmd op de ondergrond. Tot de eerste categorie behoort het populaire lamellen parket, met een toplaag van hout, kurk of kunststof (laminaat). De lamellen zijn rondom voorzien van mes en groef. De tweede categorie bestaat uit massief houten mozaïekparket en kurkvloertegels. Beide soorten zijn alleen geschikt voor droge vertrekken.

    Het benodigde gereedschap
    Om parket te leggen zijn de volgende gereedschappen voldoende: rolmaat, waterpas, winkelhaak, decoupeerzaag, ronde gatenzaag, hamer of rubberen hamer, aanslagklosjes.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone, droge ondergrond zonder beschadigingen. Verwijder de plinten. Een houten vloer mag niet veren en zijn er veel oneffenheden, breng dan eerst spaanplaten aan. Schroef ze vast in halfsteens verband of diagonaal, 1 cm uit de wand en met een onderlinge afstand van 5 cm.

    Alleen voor een zwevend parket bedekt u een betonnen vloer met bouwfolie, die u tegen de zijwand op plinthoogte vastzet. Plak de naden af met aluminiumtape. Onder een zwevend parket legt u ook, zowel bij hout als beton, een isolerend ondertapijt. Haal het parket minimaal twee etmalen voordat u het gaat verwerken in huis. Het materiaal kan zich dan aanpassen aan de omgevingstemperatuur en vochtigheidsgraad.

    Zwevend parket leggen
    Het makkelijkste is om de lamellen in de lengterichting te leggen, dan lijkt bovendien uw kamer het ruimst. Plaats overal tussen de lamellen en muren of deurposten 1 cm dikke stelblokjes, omdat een parketvloer kan krimpen, maar ook uitzetten. Naderhand verwijdert u de blokjes. Meng de lamellen van verschillende pakken voor een mooiere kleurstructuur.

    Begin in de hoek met de meeste lichtval. Leg de eerste baan uit de groef naar de muur en zaag het laatste deel op maat. Doe dat ook met de tweede baan. Omdat de lamellen in halfsteens verband moeten worden gelegd, begint u telkens met het reststuk van de vorige baan, als dit tenminste 30 cm of langer is. Met deze twee proefbanen, die over de gehele lengte naadloos en dus recht op elkaar moeten aansluiten, controleert u of ook de wand recht is. 
    Een gespannen touwtje kan als hulpmiddel dienen.
    Wandafwijkingen neemt u over op de eerste baan. Pas dan lijmt u over op de eerste baan. Pas dan lijmt u de twee banen met houtlijm - niet teveel - aan elkaar. Sla de parketdelen vast met hamer en aanslagklosjes. Maak vervolgens baan voor baan de vloer af. Houten lamellen zaagt u met de decoupeerzaag, de parketkant boven. Voor kunststof gebruikt u een ijzerzaagje in de decoupeerzaag. Bij verwarmingsbuizen zaagt u eerst ronde gaten. Zaag hierna de lamel recht door het hart van de gaten af. Schuif de lamel aan en lijm het losse stuk vast vanaf de muurkant.

    Verlijmd parket leggen
    Mozaïekparket en kurkvloertegels lijmt u direct op de ondergrond met respectievelijk parket- of kurklijm. Begin in het midden van de ruimte. Span in lengte- en breedterichting twee touwtjes die elkaar haaks kruisen. Leg de eerste rij tegels in de breedte exact langs het touw. Breng steeds lijm voor twee tegels tegelijk aan. Tik de tegels vast met de rubberen hamer. Zaag de pastegels op maat en houd bij de wand 10 cm tussenruimte. Maak de vloer af en gun de lijm 24 uur droogtijd.

    De afwerking
    Verwijder rondom de houten blokjes en breng plinten aan. Sommige soorten kunt u lijmen, andere bevestigt u met clips. Veel parketsoorten, in ieder geval de lamellen, zijn al gelakt en behoeven geen extra nabewerking. Zo niet, dan schuurt u ongelakt mozaïekparket licht voordat u tenminste vier lagen vloerlak aanbrengt. Kurktegels lakt u af met minstens drie lagen kurklak. Elke laag moet twee uur drogen. Overigens is het bij parketvloeren langer dan 12 of breder dan 6 meter verstandig een bewegingsvoeg aan te brengen. Hiervoor bestaan speciale profielen. Die zijn ook aan te raden bij het doorleggen via een deuropening naar een aangrenzend vertrek en bij overgangen naar bijvoorbeeld plavuizen of tapijt.

    Vloertegels en plavuizen
    Vloertegels en plavuizen leggen vertoont grote overeenkomsten met een wandtegels. De meest gebruikte tegels zijn echter dikker en hebben een hardere en sterkere glazuurlaag. Keramische tegels zijn verdeeld in vier slijtgroepen. Groep 1 is bijvoorbeeld geschikt voor badkamers en groep 3 voor kamers en keukens. Op een glad afgewerkte vloer kunt u lijmen, maar bestaat de ondergrond uit ruwe beton of variëren de tegels in dikte, kies dan de mortelmethode.

    Het benodigde gereedschap
    De volgende gereedschappen zijn voldoende:
    rolmaat, waterpas, winkelhaak, elastische draad, tegelsnijder of haakse slijptol, lijmkam, rubberen hamer, vloerwisser, harde spons.

    De voorbereidingen
    Zorg voor een vlakke, schone, droge ondergrond. Houten vloeren moeten eerst van een cementen afwerkvloer voorzien worden. Nieuwe betonnen vloeren moeten eerst vier maanden drogen. In de badkamer is een extra waterdichte laag aan te raden. Behandel stenen vloeren met een voorstrijkmiddel.

    Bij het bepalen van de tegelindeling gaat u uit van de deuropening. Trek vanuit het midden van de deur haaks een lijn naar de tegenoverliggende wand. Leg hierlangs een losse rij tegels, inclusief voegafstanden (3 mm bij tegeltjes van 10 x 10 cm, 10 mm bij plavuizen van 30 x 30 cm; gebruik voegkruisjes of houtblokjes). Zorg dat u aan beide kanten uitkomt op een halve pastegel of groter. Haaks op de twee buitenste tegels spant u met spijkers twee parallelle draden van hoek tot hoek. Leg hierlangs weer een rij tegels en span nog twee draden, zodat de vier lijnen een haakse rechthoek vormen waarbinnen alle hele tegels komen.

    De vloertegels aanbrengen
    Maak de tegellijm aan volgens de gebruiksaanwijzing. U strijkt met een lijmkam de lijm op de vloer, een vierkante meter per keer in een 3 mm dikke laag. Ga met lijm hetzelfde te werk als bij de wandbetegeling. Begin in een hoek en klop iedere tegel licht vast met de rubberen hamer. Meet elke rij met een draadopsteker en een stuk elastiek of u recht blijft en controleer met een rei over de hele lengte of alle tegels in hetzelfde vlak liggen. Eindig met de pastegels.

    Tegels in een mortelbed leggen is een stuk moeilijker. Bevochtig de ondervloer met water, vermengd met een hechtmiddel. Maak de mortel volgens de gebruiksaanwijzing. Plaats op de vloer geleiders, drie kaarsrechte, ongeveer 10 mm dikke latten die u evenwijdig op 1 meter van elkaar vast drukt in een morteldammetje. Controleer met rei en waterpas of ze zuiver horizontaal en even hoog liggen. Breng mortel aan tussen de geleiders, ten hoogste 2 m² per keer, en strijk de substantie glad door de rei schuivend over de geleiders naar u toe te halen.
    Haal de geleiders weg en vul ook de groeven met mortel.
    Strooi cementpoeder op de plaats van de eerste twee (hoek)plavuizen en bevochtig de mortel. Plaats de tegels en klop ze licht aan. Controleer of beide op gelijke hoogte liggen door de afstand met een rei te overbruggen en hierop een waterpas te leggen. Plaats dan de tussenliggende plavuizen en werk vervolgens rij voor rij af. Plaats ook meteen de passtukken, want u mag twee dagen niet op de vloer lopen. Maak ze op maat met een slijptol of tegelsnijder.

    Afvoegen doet u met een dunne voegmortel in de juiste kleur. U verdeelt die met een wisser tussen de voegen. Laat het voegsel een half uur opstijven en verwijder resten met een harde spons en veel water.

    Houten betimmering
    Een houten wand- of plafondbetimmering geeft de kamer een rustieke uitstraling. 
    De betimmering kunt u horizontaal of verticaal aanbrengen tegen een aan de wand of plafond bevestigd houten raamwerk. Schroten en profielen zijn er in verschillende uitvoeringen en lengtematen, allemaal voorzien van mes en groef. De montage komt overeen.

    Het benodigde gereedschap
    Voor zo'n klus heeft u de volgende gereedschappen nodig: 
    boormachine, fijngetande zaag, schroevendraaier, hamer, vijl, stanleymes. Haal het hout minstens twee weken voor de verwerking in huis. Verwijder de verpakking, zodat het werkende materiaal zich kan aanpassen aan de omgeving.

    Het raamwerk aanbrengen
    Het raamwerk maakt dat kleine oneffenheden van de muur geen rol spelen. Verwijder wel de plinten. Voor het raamwerk bevestigt u latten van bijvoorbeeld 18 x 28 mm met pluggen en schroeven aan de wand. Begin met een kader rond het te bekleden oppervlak en langs deur- en raamkozijnen. Hiertussen schroeft u latten met een maximale hart-op-hartafstand van 60 cm, horizontaal als u een verticale bekleding gaat aanbrengen, verticaal voor een horizontale bekleding. 
    Maak zo nodig dwarsverbindingen. Inbouwstopcontacten en schakelaars verplaatst u naar voren op het raamwerk. Om opbouwdozen kunt u wellicht heen werken (grondplaat geheel vrijlaten).

    De betimmering aanbrengen, verticaal
    Zaag de planken (of profielen) op zodanige lengte, dat onderaan een kier overblijft die straks volledig achter de plint wegvalt. Plaats de eerste plank in de hoek, met de groef tegen de aangrenzende wand. Om de plank exact waterpas te krijgen, moet u hem misschien hier en daar iets afvijlen. Kunststof snijdt u in de lengterichting met een stanleymes. 
    Spijker de groefzijde vast aan het raamwerk. Sla schuin door de meskant ook wat spijkers, die door de aansluitende plank aan het zicht ontnomen worden. Tik die plank van boven naar beneden aan met een blokje en bevestig hem net als alle volgende, alleen aan de meskant.

    De betimmering aanbrengen, horizontaal
    Bij deze betimmering begint u bovenaan. Gaat het om een lange muur, dan komen de aansluitende plank- of profieleinden gewoon tegen elkaar. Zorg wel, bij het maken van het raamwerk, dat zich precies onder de voeg een plank bevindt.

    Tenslotte werkt u hoeken, uiteinden en voegen weg achter houten of kunststof profielen. Camoufleer zichtbare spijkerkoppen met een tipje verf of beits. Houten bekleding werkt u af met drie lagen vernis of houtbeschermingsmiddel.

    Een plafond verlagen
    Bij plafonds kunt u een dun raamwerk tegen de ondergrond aanbrengen en betimmeren zoals hierboven beschreven. Het is ook mogelijk om het plafond te verlagen. Gebruik hiervoor dikkere balken, bijvoorbeeld van 44 x 44 mm of 47 x 50 mm. Bouw het raamwerk dan als een rooster met dwarsbalken.

    Bevestig het kader met pluggen en schroeven bovenaan op de muur. Waar de dwarsbalken elkaar kruisen of aan het kader bevestigd worden, maakt u halfhoutse verbindingen met lijm en schroeven. Om te voorkomen dat het zware rooster in het midden doorzakt, draait u in de originele plafondbalken en recht daaronder in het rooster oogschroeven van minstens 38 mm lengte. Tussen elk koppel oogschroeven spant u een stuk staalkabel. Zorg dat het raamwerk exact vlak en zuiver horizontaal komt te hangen. Het aanbrengen van de bekleding gebeurt op dezelfde manier als in het voorgaande is aangegeven.

  • Zelf een binnendeur vervangen

    U wilt een meer decoratieve huiskamerdeur; u wilt nodig de badkamerdeur vervangen. Voor een nieuwe deur gaat u waarschijnlijk naar een bouwmarkt, want die verkoopt ze in allerlei soorten en maten: hardhout, grenen, gefineerd, met of zonder glas.
    Thuisgekomen wacht u dan een karweitje dat de meeste mensen zelf doen: de nieuwe deur afhangen zodat hij perfect sluit. Deze Kluswijzer vertelt er meer over.

    Stompe deuren en opdekdeuren
    Grofweg bestaan er twee categorieën deuren: stomp en opdek. Stompe deuren vallen volledig in het kozijn en hangen aan normale scharnieren. Opdekdeuren vallen deels in het kozijn, deels er overheen en draaien op zogeheten paumellescharnieren. De gaten voor deze paumelles zijn al fabrieksmatig aangebracht en afhangen is in de regel vaak simpel een kwestie van paumelle overzetten en een of twee opvulringetjes aan de scharnieren toevoegen. Er valt dus weinig zelf aan te doen. Daarom gaat deze Kluswijzer vooral over het vervangen van stompe deuren.

    Het benodigde materiaal
    Voor het afhangen van een nieuwe deur zijn de volgende gereedschappen nodig: rolmaat, zaag, schaaf, beitel, houten hamer, schroevendraaier, boormachine, twee 5 mm dikke multiplex wiggen.

    Op maat maken
    Hoewel deuren in diverse maten verkrijgbaar zijn, is het vaak toch nodig om ze precies passend te maken. Zet hiervoor de deur op de drempel, teken hem 7 mm onder de bovendorpel aan de sponningzijde af en zaag, schaaf of schuur hem op maat. Vervolgens zijn de zijkanten aan de beurt. Schaaf of schuur hem op maat. Schaaf of schuur de hangzijde iets schuin naar binnen af, zodat deze netjes aansluit tegen het kozijn. Als de deur aan de hangzijde tegen het kozijn staat, moet aan de sluitzijde 3 mm ruimte tussen deur en kozijn overblijven.

    Afhangen
    Een binnendeur heeft doorgaans twee scharnieren. Vervangt u een deur, dan kunt u wellicht de inkepingen van de oude scharnieren in het kozijn gebruiken. Zitten er nog geen inkepingen, teken de scharnierbladen dan af op 20 cm vanaf de boven- en de onderdorpel. Let op dat de knopen (waar de pen doorheen gaat) van alle scharnieren 2 mm uit het kozijn steken. Kerf voorzichtig met hamer en beitel zoveel hout weg, dat de scharnierbladen vlak met het kozijn komen te liggen. Zet de scharnieren met één schroef vast en vouw ze open.

    Plaats nu de deur in het kozijn. Leg boven op stukjes karton van 3 mm dikte, duw de deur omhoog en zet hem van onderen klem met de wiggen. Sla de scharnieren halfdicht en teken de boven- en onderkant van de bladen op de deur af. Leg de deur op de grond en neem met behulp van een los scharnierblad de aftekening over op de hangzijde. Ook hier moeten de knopen weer 2 mm uitsteken.

    Maak de inkepingen op dezelfde manier als in het kozijn en zet de scharnieren met één schroef vast. Zet de deur met de wiggen terug in positie en controleer of de knopen goed in elkaar passen. Tik ze eventueel met de houten hamer op lijn en doe de pen erin. Open de deur en schroef de scharnieren vast.
    Mocht de deur hierna toch niet makkelijk sluiten, haal de pennen dan weer eruit. Waarschijnlijk staan de knopen (scharnieren) niet op lijn.
    Verbuig ze voorzichtig met een tang (alleen die van de scharnierbladen aan de deur) en het euvel is vrijwel zeker verholpen.
    Schilder de onderzijde van de deuren minimaal 2 keren.

    Een slot inzetten
    De meeste deuren worden geleverd met een slotgat. Zo niet, dan kunt u dat zelf maken op de volgende wijze. Teken de omtrek van de slotkast op de voor-, achter- en sluitzijde van de deur, op ongeveer een meter hoogte. Boor binnen de aftekening aan de sluitzijde een aantal gaten onder elkaar, 1 cm dieper dan het slot.

    Maak met hamer en beitel het gat zo groot, dat de slotkast er helemaal in past. Teken dan de omtrek van de schootplaat op de sluitzijde van de deur af en kerf zoveel hout weg, dat de plaat vlak met de deur komt te liggen. Leg de slotkast tegen een deurzijde en teken de gaten voor de deurkruk en het sleutelgat af. Als de gaten geboord zijn, kunt u het slot bevestigen. Draai het slot uit zodat de schoot naar buiten steekt en bepaal op het kozijn de plaats van de schoten van het dag- en nachtslot. Boor en beitel de gaten op maat en schroef de slotplaat vast.

  • Sparing maken in een dragende muur

    Voor de aanvang voor het maken van een sparing in de dragende wand/muur zal de balklaag/ vloer van de bovengelegen verdieping met schroefstempels moeten worden ondersteund. De sparing zal na plaatsbepaling (te zijn afgeschreven), met bijvoorbeeld vuist en breekijzer worden weggebroken.
    Wanneer de sparing geheel is uitgehakt zal men het bovengelegen gewicht op moeten vangen zodat instorten voorkomen wordt. Hiervoor moet u ter overbrugging van de sparing een latei plaatsen. Deze latei, bestaande uit steen (of staal) moet over de sparing van 15 cm in een laagje cement voor de hechting worden opgelegd. Na droging van de specielaag waar de latei in is gelegd, kunnen na 2 dagen de schroefstempels, die de bovengelegen vloer/balklaag nog steeds ondersteunde tijdens de werkzaamheden, voorzichtig worden losgedraaid en worden verwijderd. Hierna kan de sparing die in de dragende wand is gemaakt, worden afgewerkt net als de omliggende gedeeltes.

  • Zelf een wand verplaatsen/verwijderen

    U heeft behoefte aan een extra kinderkamer; u wilt die grote zolder in tweeën delen; u zou in de huiskamer graag een aparte werk- of hobbyhoek maken. Dan is een niet-dragende scheidingswand de oplossing. U kunt die natuurlijk door de vakman laten plaatsen, maar het is ook mogelijk om dat zelf te doen. De bouwmarkt verkoopt goede materialen. Bijzonder gereedschap is er niet bij nodig. Wat vrije tijd en een bescheiden budget zijn genoeg.  Deze Kluswijzer vertelt er meer over. 

    Kies het juiste bouwmateriaal
    Allereerst is het belangrijk dat u de juiste bouwmaterialen kiest. Er zijn drie mogelijkheden: een houten wand met gipskartonplaten, gipsblokken en gasbetonblokken.

    Gipskartonplaten, geschroefd tegen beide zijden van een houten of metalen raamwerk, zijn bij doe-het-zelvers het meest populair. Ze zijn vlak, maatvast, brandveilig, geluidsisolerend en vooral geschikt voor droge ruimtes.

    Een tussenwand van gips- of gasbetonblokken is massief en iets zwaarder, maar doorgaans zonder “kunstgrepen” op elke vloer te plaatsen. De wand wordt gelijmd en is stevig genoeg om bijvoorbeeld een wastafel aan te bevestigen. De milieuvriendelijke gipsblokken hebben rondom een messing en groef en zijn vormvast, maar gevoelig voor vocht en stoten. Gasbetonblokken zijn rondom vlak, bijzonder sterk, warmte-isolerend en vochtbestendig. Maar bij de bouw moet u er rekening mee houden dat ze licht kunnen uitzetten.

    Het benodigde materiaal
    Voor de verwerking komen de volgende gereedschappen van pas: rolmaat, waterpas, zaag, boormachine, hamer, schroevendraaier, stanleymes en plamuurmes.

    Gipskartonplaten Gipsplaten bestaan in verschillende dikten, maar voor een scheidingswand zijn platen van 15 mm het meeste geschikt.

    Het raamwerk van staanders en dwarsverbindingen maakt u het beste uit balken van ongeveer 50 x 75 mm of speciale stalen U-profielen.

    De uitvoering
    Teken op het plafond en loodrecht daaronder op de vloer nauwkeurig aan waar de wand moet komen. Meestal zal dit haaks op een bestaande muur zijn, al is het niet noodzakelijk. Markeer een eventuele deurpost en kijk of het mogelijk is snoeren en leidingen weg te werken in de uiteindelijke holle wand. Schroef eerst de boven- en de onderligger van het frame aan het plafond en de vloer en vervolgens de twee buitenste staanders tegen de muren. Zet de rest van het frame met balkankers in elkaar, zodanig dat de hart-op-hartafstand overeenkomt met de breedte van de gipsplaten (standaard 30 cm). Zo ontstaat een stabiele en vlakke constructie. De twee tot drie meter lange gipsplaten maakt u gemakkelijk op maat door ze met een stanleymes in te snijden en daarna door te breken. Voor gaten en uitsparingen bewijzen een ronde zaag op de boormachine en een decoupeerzaag goede diensten. De bevestiging lukt het beste met zelfborende gipsplaatschroeven: die roesten niet en verzinken zonder het materiaal te beschadigen. Naden en schroefkoppen werkt u af met een speciaal hiervoor geschikt vulmiddel. Even licht schuren en het resultaat is een mooie gladde wand, klaar om geverfd of behangen te worden. (Vóór het behangen de wanden voorsmeren met grondverf of voorstrijkmiddel). Plinten zorgen voor een professionele afwerking.

    Gipsblokken
    Gipsblokken zijn te koop in diverse afmetingen, niet alleen in rechte, maar ook in ronde vorm voor meer decoratieve wanden. Ze wegen rond de vijftien kilo per stuk.

    De uitvoering Wie met gipsblokken een scheidingswand optrekt, doet er goed aan de eerste laag blokken in een kunststof profiel of een houten slof of onderbalk te plaatsen. De ondergrond is dan gegarandeerd vlak en optrekkend vocht krijgt geen kans.

    Handig is ook om tegen de bestaande muren verticale kunststof profielen, voorzien van zelfklevend elastisch voegband, te monteren, waar de blokken precies tussen vallen. De nieuwe wand blijft dan waterpas en de aansluiting is geluiddicht en tochtvrij.

    Laag voor laag bouwt u de scheidingswand op. Verlijm de stofvrij gemaakte blokken onderling met speciale lijm en bevestig de buitenste telkens met een veeranker aan de muur.

    Maak de benodigde passtukken met een grove zaag op maat. Messing en groef maken de positionering eenvoudig en even aankloppen met een rubberen hamer is voldoende.
    De laatste laag verbindt u weer met veerankers aan het plafond.
    Staat de wand eenmaal – die grote blokken schieten lekker op – spuit dan alle naden langs muur en plafond vol met purschuim. Na uitharding verwijdert u het overtollige schuim, net als de lijm, met een scherp voorwerp. Sleuven voor leidingen en gaten voor stopcontacten zijn in gipsblokken eenvoudig te maken. Als afwerking kunt u de wand, na enige voorbehandeling, verven, behangen, stuken of betegelen.

    Gasbetonblokken
    Bouwen met gasbetonblokken komt in grote lijnen op hetzelfde neer. Echter, tussen de nieuwe en een bestaande wand of een kozijn moet 1 centimeter ruimte blijven. Ook wanden langer dan vier meter moeten op maximaal die lengte met een 1 centimeter brede sleuf onderbroken worden. De dikkere lijmlaag maakt het nodig dat u elke laag blokken apart uitmeet en steeds op de juiste hoogte een metselkoord spant. Overtollige lijm dient bij deze blokken direct verwijderd te worden. Er is speciaal gereedschap in de handel waarmee de lijm makkelijk en juist kan worden aangebracht.

    Romaanse toog
    U wilt wel een aparte ruimte creëren, maar die niet helemaal afsluiten. Dan bestaat de mogelijkheid om in elk van de hierboven beschreven scheidingswanden een Romaanse toog op te nemen. Dankzij speciale hoekopvulstukken past deze in alle rechthoekige doorgangen, tot 1,70 meter breedte.